Rechtbank Amsterdam 11-07-2001, JAR 2001, 154


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Directeur. Schadeloosstelling (C=1,5; B inclusief pensioenpremie).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 154.

De 55-jarige werknemer is sinds mei 1984 bij de werkgever in dienst. Sinds 1 november 1997 is hij statutair directeur (salaris NLG 16.755,-- bruto per maand exclusief emolumenten). Bij brief van 9 maart 2001 heeft de werkgever de werknemer uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering op 5 april 2001 met als enig agendapunt zijn ontslag. Op 2 april heeft de werknemer zich ziek gemeld. Op de aandeelhoudersvergadering is hij ontslagen met ingang van 1 november 2001. De werknemer verzoekt thans ontbinding met toekenning van een hoge vergoeding. De rechtbank ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2001. Met betrekking tot een eventuele vergoeding overweegt de rechtbank dat de grond voor de ontbinding in elk geval in de risicosfeer van de werkgever ligt, ongeacht of hij hiervoor daadwerkelijk bedrijfseconomische redenen heeft, nu hij zich wenst te ontdoen van een hoog gekwalificeerde medewerker als de werknemer die steeds uitstekend heeft gefunctioneerd en aan wie geen enkel verwijt gemaakt kan worden terzake van het ontslag. Verder overweegt de rechtbank dat de werkgever hoogst onzorgvuldig jegens de werknemer heeft gehandeld bij de wijze waarop hij het ontslag heeft aangekondigd. Vanaf juni 2000 tot aan 9 maart 2001 heeft de werkgever steeds tegen de werknemer gezegd dat zijn functie niet zou komen te vervallen. Eerst door middel van de oproep voor de aandeelhoudersvergadering van 9 maart heeft de werkgever de werknemer meegedeeld dat zijn arbeidsplaats wel zal worden opgeheven. Deze overval, welke is ingegeven door het feit dat de werkgever wilde voorkomen dat de werknemer zich voor de opzegging zou ziek melden, is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze te rechtvaardigen. Daarom is toepassing van correctiefactor 1,5 op zijn plaats. Bij het berekenen van het loon dienen de bonussen, die in bepaalde jaren wel maar in andere niet zijn toegekend, niet meegeteld te worden, maar moet wel rekening gehouden worden met de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie en in de vroegpensioenpremie. Aldus komt de rechtbank uit op een vergoeding van NLG 1.271.821,50 bruto

Terug naar overzicht