Rechtbank Amsterdam 11-08-1999, Prg. 2000, 5410


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. CAO. Schadeloosstelling (factor B).

De arbeidsovereenkomst van een parttime verkoopster, zeven jaar in dienst voor 20 uur per week, wordt ontbonden met een vergoeding van NLG 7.266,-- bruto. Volgens de werkneemster is de kantonrechter voor de berekening van de vergoeding van een te laag salaris uitgegaan. De werkneemster stelt dat zij 25 uur per week heeft gewerkt, waarvoor zij een salaris voor 20 uur per week ontving en vijf uur per week contant werd uitbetaald. Bovendien zou de CAO Levensmiddelenbedrijf van toepassing zijn, op grond waarvan zij een hoger salaris diende te ontvangen. De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht dat de CAO van toepassing is toe en ook betaling van het loonverschil van NLG 1.539,58. Herziening van de ontbindingsvergoeding en de verklaring voor recht dat de werkneemster 25 uur per week werkte, wijst de kantonrechter af. In het hoger beroep van de werkneemster oordeelt de rechtbank dat de werkneemster, gezien het overgelegde werkschema en de loonberekening, haar stelling van 25 uur per week niet aannemelijk heeft gemaakt. In het hoger beroep van de werkgever overweegt de rechtbank dat het in dit geval gaat om een kleine speciaalzaak met een beperkt assortiment. Uit de CAO valt af te leiden dat een speciaalzaak niet onder het begrip "winkel" valt, omdat daar geen verscheidenheid aan verbruiksartikelen wordt aangeboden. De stelling van de werkneemster gaat dus niet op. Dit geldt ook de stelling dat te weinig loon is betaald en herberekening dient plaats te vinden. Er is dus geen reden voor aanpassing van de ontbindingsvergoeding, daargelaten het feit dat een dergelijke aanpassing niet strookt met het appèlverbod van art. 1639w BW (oud). De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werkneemster af.

Verder lezen
Terug naar overzicht