Rechtbank Amsterdam 15-12-1999, JAR 2000, 9


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (optieregeling; geen ruimte voor aanvullende toetsing aan redelijkheid en billijkheid). Competentie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 9.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een creatief directeur van een reclamebureau (bijna zeven jaar in dienst, salaris NLG 27.150,-- per maand). De kantonrechter overweegt met betrekking tot het verzoek van de werknemer om de aandelenschade (schade als gevolg van het bij einde dienstverband uit optieregeling verworven aandelen weer terug te moeten verkopen) buiten beschouwing te laten, dat de aandelenkwestie in een bodemprocedure aan de orde moet komen en ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 500.000,-- bruto. De werknemer vordert vervolgens op grond van redelijkheid en billijkheid respectievelijk op grond van wanprestatie en subsidiair op grond van onrechtmatige daad een schadevergoeding in verband met de aandelenschade (zie ook HR 24-10-1997, Baijings/Sara Lee, RvdW 1997, 207, JAR 1997, 248, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 163). De kantonrechter acht de werknemer ontvankelijk in zijn vordering gebaseerd op redelijkheid en billijkheid en op grond van wanprestatie, doch wijst de vordering af. Het enkele feit van ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan geen wanprestatie opleveren en redelijkheid en billijkheid zijn, gezien de uiterst speculatieve verwachting van de werknemer omtrent zijn vermogensgroei, geen grond voor een aanvulling op de reeds toegekende vergoeding. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad, verklaart kantonrechter de werknemer niet-ontvankelijk en verwijst de zaak naar de rechtbank. In het incidentele hoger beroep van de werkgever acht de rechtbank de werknemer eveneens niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt dat de vergelijking met Baijings/Sara Lee niet opgaat omdat daar de kantonrechter uitdrukkelijk de aanspraak op de aandelenopties niet heeft meegerekend en in dit geval de werknemer juist geen aanspraak op die aandelenschade heeft gemaakt, maar heeft aangekondigd dit in een afzonderlijke procedure te zullen doen. De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van de beëindiging van het dienstverband toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid en aan de eis van goed werkgeverschap in beginsel ten volle tot uitdrukking moet komen in de hoogte van de vergoeding, zodat er daarnaast voor een dergelijke toetsing geen plaats is. Aangezien er geen andere omstandigheden zijn die uitzondering op deze regel rechtvaardigen (de complexiteit van de materie is in ieder geval onvoldoende), dient de werknemer niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank vernietig het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht