Rechtbank Amsterdam 20-08-2003, JAR 2003, 220


Directeur. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 220.

De werknemer, bijna 53 jaar oud, is in mei 1975 bij de werkgever in dienst getreden en bekleedde laatstelijk de functie van statutair directeur tegen een salaris van € 11.760,-- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en enige emolumenten. De directeur verzoekt ontbinding met toekenning van een vergoeding. De werkgever refereert zich ten aanzien van de verzochte ontbinding, maar verzet zich tegen betaling van een vergoeding. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een ernstig arbeidsconflict dat al geruime tijd voortduurt. Ontbinding is daarom gerechtvaardigd. Met betrekking tot het verzoek om een vergoeding overweegt de rechtbank dat de werkgever de directeur verwijt dat hij de instructies van de aandeelhouder(s) niet heeft opgevolgd. In dit opzicht stelt de rechtbank vast dat de directeur daartoe niet zonder meer gehouden is en dat, als er verschillen van inzicht bestaan, het voor de hand ligt om deze tijdens een aandeelhoudersvergadering te bespreken. De werkgever heeft daartoe echter geen initiatief genomen. Ook de directeur heeft geen concrete pogingen gedaan om de verschillen van inzicht uit te praten. De verschillen van inzicht zijn vervolgens uitgegroeid tot een vertrouwensbreuk. Deze is verergerd doordat de werkgever een andere directeur heeft aangesteld zonder precies duidelijk te maken wat dit voor de positie van de directeur in deze zaak betekende. Verder heeft de werkgever eind 2002 een accountantskantoor opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar onder andere het declaratiegedrag van de directeur. Een dergelijk onderzoek kan in het algemeen gerechtvaardigd zijn, maar in onderhavig geval werpen de brede opzet en de diepgaandheid ervan de vraag op of hiervoor voldoende grond is te vinden in de jaarstukken en/of het uitgavenpatroon van de directeur. De werkgever heeft deze vraag niet bevredigend beantwoord. Verder heeft hij bij de aanvang van het onderzoek onvoldoende duidelijk gemaakt waarop dit betrekking zou hebben en welk doel ermee zou zijn gediend. Tenslotte is in te geringe mate toegezien op een zo spoedig mogelijke afronding van het onderzoek. Gezien alle omstandigheden acht de rechtbank toepassing van een correctiefactor van C=1,2 billijk. Bij vaststelling van de beloning houdt de rechtbank rekening met de door de werkgever betaalde pensioenpremie, maar niet met de fiscale bijtelling van de auto, de auto zelf, de bonus en het honorarium dat de directeur ontving voor zijn werkzaamheden ten behoeve van buitenlandse groepsvennootschappen. De totale vergoeding komt daarmee op € 658.252,98 bruto.

Terug naar overzicht