Rechtbank Amsterdam 24-02-1999, NJ 1999, 622


Beslag. Executiegeschil.

Nigeria wordt door de kantonrechter veroordeeld tot betaling van NLG 70.204,-- aan een voormalig ambassade-employee wegens achterstallig salaris en schadeloosstelling. De werknemer laat executoriaal beslag leggen onder de bank. Volgens de bank is het beslag strijdig met art. 436 Rv omdat de gelden op de bankrekening bestemd zijn voor de openbare dienst. De rechtbank gaat ervan uit dat de gelden op de rekening van de ambassade van Nigeria zijn bestemd voor het in stand houden en doen functioneren van die ambassade. Deze gelden moeten worden aangemerkt als goederen, bestemd voor de openbare dienst, waarop geen beslag mag worden gelegd. Het argument dat Nigeria geen beroep op immuniteit zou toekomen omdat zij heeft gehandeld als privaatrechtelijk persoon, gaat niet op. Het gaat hier niet om immuniteit van jurisdictie maar om immuniteit van executie. Voor een beroep op dit laatste geldt niet de voorwaarde dat het betreffende land de wetten en gebruiken van het gastland respecteert. Het feit dat de betalingen nu juist uit de openbare middelen van Nigeria behoren te worden voldaan, kan aan het beroep op immuniteit van executie niet in de weg staan. Het verbod van art. 436 Rv is beperkt tot goederen, bestemd voor de openbare dienst en verhindert dus niet iedere executie van aan een vreemde staat behorend vermogen. De rechtbank wijst de verklaringsvordering van de werknemer tegen de bank af.

Terug naar overzicht