Rechtbank Amsterdam 29-08-2001, JAR 2001, 197


Gelijke behandeling. Pensioen. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 197.

De werkneemster is op 12 december 1972 bij de werkgever in dienst getreden. Het destijds geldende pensioenreglement bepaalde dat ongehuwde vrouwelijke werknemers en manne- lijke werknemers met een volledige dagtaak één jaar vanaf 25 jaar (mannen) respectievelijk 30 jaar (vrouwen) in de pensioenregeling werden opgenomen. De werkneemster is per 1 januari 1987 met de VUT gegaan. Bij brief van 24 oktober 1995 heeft zij onder verwijzing naar de arresten Fisscher en Vroege van het HvJ EG (20-09-1994, JAR 1994, 216, NJ 1995, 385, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1994, blz. 239) de werkgever verzocht om haar hetzelfde pensioen te betalen als zij gekregen zou hebben als zij een man was geweest. De werkgever heeft dit geweigerd. De kantonrechter heeft de vordering van de werkneemster afgewezen. Op het hoger beroep van de werkneemster overweegt de rechtbank dat zij zich primair beroept op niet nakoming door de werkgever van zijn verplichting om de werkneem- ster op dezelfde wijze in de pensioenregeling op te nemen als mannelijke werknemers. De werkgever heeft vooreerst aangevoerd dat de vordering is verjaard. De rechtbank verwerpt dit verweer voor zover gedaagde betoogt dat de vordering betrekking heeft op tijdvakken daterend van vóór 17 mei 1990 (Barber) en het dienstverband toen al geëindigd was. De vordering van de werkneemster heeft betrekking op aansluiting bij een pensioenregeling en wordt aldus niet getroffen door de beperking in Barber. Verder stelt de rechtbank vast dat art. 3:310 BW van toepassing is nu het gaat om een vordering van nakoming. De termijn van twintig jaar van dit artikel heeft de werkneemster gehaald, gezien het feit dat de schade geacht kan worden te zijn veroorzaakt in 1976 (Defrenne-arrest) en op grond van het overgangsrecht NBW de vordering dan zou verjaren vanaf 8 april 1996. De werkneemster heeft de verjaring dus tijdig gestuit op 24 oktober 1995. Ook aan de eis dat een vordering binnen vijf jaar na het bekend worden met de schade moet worden ingesteld, voldoet de werkneemster. Aangenomen kan worden dat de werkneemster van haar schade op de hoogte is geraakt door de arresten Vroege en Fisscher op 28 september 1994. De aanmaning d.d. 24 oktober 1995 was derhalve ruim op tijd. De werkgever heeft niet bestreden dat er sprake is van discriminatie. Daarom is de vordering van de werkneemster voor toewijzing vatbaar. Voor matiging ervan is geen reden

Terug naar overzicht