Rechtbank Amsterdam 30-09-1998, 08-09-1999, JAR 1999, 250


Ontslag op staande voet. Ongewenste intimiteiten. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 250.

Een werknemer wordt op staande voet ontslagen wegens ongewenste intimiteiten. De werknemer roept de nietigheid in, stellende dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, omdat hij op 25 oktober is geschorst en pas op 7 november is ontslagen. De kantonrechter overweegt dat het enkele tijdsverloop het ontslag niet nietig maakt. Soms zijn er omstandigheden denkbaar die het nodig maken de arbeidsovereenkomst korte tijd voort te zetten na het bekend worden van de reden. De kantonrechter wijst de vordering af en de werknemer gaat in hoger beroep. De werkgever beroept zich op verjaring. De rechtbank stelt vast dat de werknemer de nietigheid binnen de termijn van zes maanden heeft ingeroepen en dat de vordering tot doorbetaling van loon niet is verjaard. Op grond van art. 3:308 BW geldt hiervoor een verjaringstermijn van vijf jaar en de dagvaarding is binnen deze termijn uitgebracht. De subsidiaire vordering wegens onregelmatig ontslag is wel verjaard, omdat op grond van art. 7:683 lid 1 BW voor deze vordering een verjaringstermijn van zes maanden geldt. Met betrekking tot de onverwijldheid van het ontslag overweegt de rechtbank dat de werkgever de klacht van het uitzendbureau over seksuele intimidatie ten opzichte van een vrouwelijke uitzendkracht op 25 oktober heeft ontvangen en dat de werkgever deze klacht diende te onderzoeken. Daartoe zijn gesprekken gevoerd met de werknemer, de betreffende uitzendkracht, het uitzendbureau en de bewakingsdienst waar de werknemer werkte. De werkgever heeft hiervoor 12 dagen de tijd genomen en de rechtbank acht dit geen onredelijke termijn, gelet op de aard van de klachten en de zorgvuldigheid die de werkgever diende te nemen bij het vaststellen van de juistheid ervan. De werknemer was bovendien geschorst en moest rekening houden met ontslag. Onder deze omstandigheden is het ontslag tijdig gegeven. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht