Rechtbank Arnhem 15-03-2001, Prg. 2001, 5672


Proeftijd. Bepaalde tijd. Bereidheid bedongen arbeid. Matiging loonvordering.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Tiel 24-05-2000 en Rechtbank Arnhem 07-12-200, Prg. 2001, 5615). Een werknemer, voor bepaalde tijd van een jaar in dienst, wordt twee dagen voor het verstrijken van de overeengekomen proeftijd (twee maanden) ontslagen. De werknemer vordert doorbetaling van loon. Zowel de kantonrechter als de rechtbank oordelen dat de proeftijd nietig is. De rechtbank laat de werkgever bij tussenvonnis toe te bewijzen dat de werknemer door elders in dienst te treden, niet bereid was de bedongen arbeid te verrichten. De rechtbank concludeert dat gezien het tijdelijk contract met de mogelijkheid van tussentijdse opzegging, moet worden aangenomen dat de werknemer in staat was de bedongen arbeid te verrichten. Het feit dat de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn eigen rekening. De werkgever was derhalve loon verschuldigd over de gehele overeengekomen periode. Aangezien de werknemer ongeveer hetzelfde loon verdiende bij de nieuwe werkgever en hij bij volledige toewijzing gedurende achtenhalve maand een dubbel inkomen zou genieten, matigt de rechtbank de vordering tot drie maanden loon inclusief de wettelijke verhoging en de wettelijke rente

Terug naar overzicht