Rechtbank Arnhem 15-08-2002, JAR 2002, 222


Faillissement.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 222.

De Stichting LOVWJ (Vormingswerk voor Jongeren) heeft in 1994 de Stichting Lavas opgericht voor het uitvoeren van contractactiviteiten. Tot 1 augustus 1996 waren de drie werknemers in dienst bij LOVWJ. Met ingang van die datum hebben zij een arbeidsovereenkomst met Lavas gesloten. Bij brief van 29 augustus 1999 heeft het bestuur van LOVWJ aan de Raad van Toezicht van Lavas geschreven dat LOVWJ bereid is om voor maximaal NLG 470.000,-garant te staan voor het nakomen van de verplichtingen van Lavas jegens haar personeel. Tot deze verplichtingen behoren in elk geval een bedrag van NLG 30.000,-- dat Lavas aan de werknemers heeft toegezegd in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dit omdat zij geen aanspraak meer kunnen maken op de wachtgeldregeling van LOVWJ. Bij vonnis van 1 december 1999 is Lavas op aangifte van haar Raad van Toezicht failliet verklaard. De drie werknemers vorderen dat LOVWJ het bedrag van NLG 30.000,-- aan hen betaalt alsmede enkele andere posten. Zij stellen daartoe onder meer dat LOVWJ een steunstichting is van Lavas, zich garant heeft gesteld voor het voortbestaan van Lavas, de liquiditeitstekorten van Lavas aanvulde en grotendeels (twee van de drie personen) uit hetzelfde bestuur bestaat. De rechtbank stelt vast dat LOVWJ niet daadwerkelijk als steunstichting van Lavas is gaan functioneren. Wel heeft LOVWJ ondersteuning verleend per project en op aanvraag, doch dat maakt haar geen steunstichting. Indien aangenomen moet worden dat LOVWJ garant heeft willen staan voor het voortbestaan van Lavas, hetgeen LOVWJ betwist, dan kan daarop geen rechtstreekse aanspraak van de werknemers worden gebaseerd. Niet is gegarandeerd dat LOVWJ jegens hen garant zou staan. LOVWJ heeft zich wel garant gesteld voor een bedrag van NLG 470.000,--. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat zij dit bedrag ook daadwerkelijk heeft betaald. Ook deze garantie schept overigens geen aanspraak van de werknemers zelf jegens LOVWJ. Het feit dat twee van de drie bestuursleden van LOVWJ ook in de Raad van Toezicht van Lavas zitten, rechtvaardigt geen vereenzelviging van beide stichtingen. Niet is gebleken dat de bestuurders de leiding en volledige zeggenschap over beide stichtingen hadden en evenmin dat LOVWJ de zeggenschap had over Lavas. Eén en ander brengt mee dat ter onvoldoende rechtsgrond is voor doorbraak van aansprakelijkheid richting LOVWJ.

Terug naar overzicht