Rechtbank Arnhem 26-02-2003, JAR 2003, 101


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 101.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Wageningen 11-07-2001 en 14-11-2001, Prg. 2002, 5836, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 58). De werkneemster, zwemonderwijzeres, is in november 1998 tijdens het geven van zwemonderricht aan ouderen aan de rand van het zwembad uitgegleden en gevallen. Na het ongeval heeft zij zich wegens rugklachten onder behandeling gesteld. Na het ongeval heeft zij nog geruime tijd doorgewerkt. Blijkens een verklaring van de bedrijfsarts van september 1999 heeft de werkneemster sinds een jaar hevige rugpijn als gevolg van een fractuur door de val op het werk. De werkneemster heeft eind maart 2000 de werkgever aansprakelijk gesteld voor de kosten van fysiotherapie en de daaraan verbonden reiskosten ter hoogte van een bedrag van € 5.012,22. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Op het hoger beroep van de werkgever stelt de rechtbank vast dat de werkgever met betrekking tot zijn zorgplicht heeft aangevoerd dat de tegels en het rooster om het zwembadbassin voldoen aan de eisen van stroefheid gesteld in de toepasselijke regelgeving, dat hij zijn werknemers heeft aangeraden geen onnodig gebruik te maken van de zwembadrand, dat hij aan zijn werknemers een houten platform ter beschikking heeft gesteld dat over het rooster/de tegels van de zwembadrand kan worden gelegd en waarop de werknemers kunnen gaan staan om daarop de bewegingen uit te voeren, en dat hij zijn werknemers heeft geïnstrueerd gebruik te maken van dit platform en van antislipschoeisel dat ruw genoeg is om daarmee de tegels van het zwembad veilig te kunnen betreden. De rechtbank is van oordeel dat de werkgever hiermee echter niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan, omdat niet is gebleken dat de werkgever in enige vorm toezicht heeft gehouden op de naleving van deze veiligheidsinstructies. Zeker bij nieuw in dienst getreden werknemers, zoals de werkneemster die op het moment van het uitglijden nog geen drie weken in dienst was, is de werkgever daartoe gehouden. Aangenomen moet worden dat de werkgever geen toezicht heeft gehouden, nu de werkneemster ten tijde van het ongeval het houten platform niet heeft gebruikt en hiervan in de korte periode daarvoor nooit gebruik heeft gemaakt. Tevens staat vast dat de werkneemster blootsvoets was op het moment van het ongeval. Verder is niet gebleken dat de werkgever de werkneemster er ooit op heeft aangesproken dat zij het platform niet gebruikte en/of geen antislipschoenen droeg. De werkgever is daarom aansprakelijk voor de schade van de werkneemster.

Terug naar overzicht