Rechtbank Assen 01-05-2001, JAR 2001, 107


Kennelijk onredelijk ontslag. Overgang onderneming. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 107.

Een werknemer is op 1 februari 1998 bij de werkgever in dienst gekomen als gevolg van de overgang van het magazijn waar hij werkzaam was. Hij was op dat moment gedeeltelijk arbeidsongeschikt en verrichte zijn werkzaamheden bij zijn vorige werkgever (AAF) gedeeltelijk en in aangepaste vorm tegen een aangepast salaris. De werkgever heeft deze werkvorm niet willen voortzetten en heeft duidelijk gemaakt dat de binnen AAF voor de werknemer gecreëerde functie bij hem niet bestond en ook niet gecreëerd kon worden door een andere inrichting van de organisatie. Reïntegratie van de werknemer in een andere functie bij de werkgever is niet gelukt. De werkgever heeft daarop het dienstverband beëindigd met toestemming van de RDA. De werknemer heeft vervolgens gesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege het ontbreken van enige vergoeding. De kantonrechter heeft dit standpunt van de hand gewezen. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt de rechtbank dat de reïntegratie bij AAF meer succes heeft gehad dan de pogingen die de werkgever heeft gedaan en dat aan deze reïntegratie bij AAF een einde is gekomen door de bedrijfsovername. Daardoor is aan de werknemer een kans op een uiteindelijk succesvolle reïntegratie ontnomen. Naar het oordeel van de rechtbank mogen de gevolgen hiervan niet volledig op de werknemer worden afgewenteld. Het verlies van de kans op reïntegratie moet aangemerkt worden als een voor de werknemer nadelig gevolg van de overgang van onderneming. Op grond van de art. 7:665 BW en 4 lid 2 richtlijn 77/187/EEG had de werknemer om deze reden ontslag kunnen nemen en een schadevergoeding kunnen vorderen. Een redelijke toepassing van de artikelen brengt dan mee dat de schadevergoedingsplicht ook bestaat als een ontslag wegens een met de overgang van de onderneming samenhangende nadelige wijziging van de omstandigheden door de werkgever wordt gegeven. Aan de werknemer komt daarom een vergoeding toe zij het dat een beperking hiervan redelijk is vanwege zijn eigen passieve en niet flexibele opstelling ten aanzien van reïntegratie bij de werkgever. De rechtbank wijst toe NLG 20.000,-- netto

Terug naar overzicht