Rechtbank Groningen 26-03-1999, JAR 1999, 98


Ontslag op staande voet. Matiging loonvordering.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 98.

Een werkgever ontslaat zijn werkneemster, één jaar in dienst, salaris NLG 2.708,25 bruto per maand, op staande voet omdat zij tegen een klant zou hebben gezegd dat zij in een "klote restaurant" werkte. De werkneemster roept de nietigheid in en wordt vervolgens met toestemming van de RDA (voor zover vereist) ontslagen. Thans vordert zij doorbetaling van loon over de tussenliggende periode en een vergoeding voor de niet-genoten vakantiedagen. De kantonrechter draagt de werkgever op te bewijzen dat de werkneemster de betreffende woorden heeft gezegd. Als de werkgever daarin niet slaagt, wijst de kantonrechter de vordering toe, zij het gematigd tot drie maanden salaris, omdat de werkneemster inmiddels elders in dienst is getreden. Zowel de werkgever als de werkneemster gaan in hoger beroep. In het hoger beroep van de werkgever overweegt de rechtbank dat de kantonrechter vrij is de verklaring van de werkneemster, die ontkent de betreffende woorden te hebben gezegd, te waarderen zoals hij heeft gedaan. Met betrekking tot de matiging van de loonvordering overweegt de rechtbank dat het de kantonrechter niet vrij stond op grond van analoge toepassing van art. 7:680 lid 5 BW (na 1 januari 1999 art. 7:680a BW) de loonvordering tot minder dan drie maanden te matigen. Dat de werkneemster door werkaanvaarding niet meer beschikbaar zou zijn, wordt weerlegd door de overeengekomen proeftijd en werkneemsters bereidverklaring. In het hoger beroep van de werkneemster is de rechtbank met de kantonrechter van oordeel dat een uitlating als "klote restaurant" tegenover een klant een dringende reden oplevert, aangezien deze kwalificatie betrekking heeft op het functioneren en op de kwaliteit van het bedrijf. Met betrekking tot de matiging van de loonvordering overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie en het thans geldende art. 7:680a BW als maatstaf heeft te gelden, dat toewijzing van de volledige vordering tot een onaanvaardbaar resultaat zal leiden. In dit geval gaat het om een verschil van drie weken loon. Hoewel het tegelijkertijd verwerven van inkomen elders tot een onaanvaardbaar resultaat kan leiden, gaat dit hier niet op, omdat de werkneemster per 1 juli 1997 een andere baan had en het dienstverband tegen 7 augustus 1997 is opgezegd en zij zich in de proeftijd beschikbaar heeft gehouden. Er is dus geen reden tot matiging en de rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover de loonvordering is gematigd en wijst de oorspronkelijke loonvordering toe.

Terug naar overzicht