Rechtbank Haarlem 08-04-2003, JAR 2003, 125


Directeur. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 125.

De werkneemster, bijna 35 jaar oud, is op 15 november 1996 bij de werkgever in dienst getreden in de functie van Sales Manager. Per 1 november 1997 is zij benoemd tot statutair directeur. Haar salaris bedraagt € 11.375,-- bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag van € 1.144,-- en een bonus die over de laatste drie jaar gemiddeld € 2.590,-- bedroeg. Op 21 mei 2002 heeft de werkgever de werkneemster geïnformeerd dat de CEO van de (groot)moedermaatschappij haar arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen. Op de aandeelhoudersvergadering van 18 september 2002 is de werkneemster als statutair directeur ontslagen. De werkgever verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werkneemster acht zowel de redenen voor het ontslag onterecht als de wijze waarop het ontslag is gegeven onzorgvuldig. De rechtbank ontbindt de arbeidsovereenkomst. Inhoudelijk deelt de rechtbank in grote lijnen het standpunt van de werkneemster. De werkgever heeft op 21 mei 2002 alleen het aangaan van een bepaald, voor de werkgever ongunstig, contract als ontslaggrond genoemd. Dit contract is echter niet door de werkneemster gesloten, maar door een aan haar ondergeschikte werknemer, die daarbij de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden. Verder zijn de schadelijke gevolgen van het contract alsnog ingeperkt. De werkgever heeft na 21 mei diverse andere gronden voor het ontslag aangevoerd, onder meer dat de werkneemster niet goed zou functioneren. De rechtbank heeft echter de indruk dat deze slechts later erbij zijn gehaald om het gebrek aan vertrouwen in de werkneemster handen en voeten te geven. De werkgever, in de persoon van de vice-president van de moedermaatschappij, heeft voorts onzorgvuldig gehandeld door eerst een gehele dag met de werkneemster zaken te regelen, waaronder het ontslag van een lid van het managementteam, en vervolgens de werkneemster in de auto op weg naar de trein te informeren dat de CEO van de grootmoeder het vertrouwen in haar heeft opgezegd. Een en ander rechtvaardigt toepassing van een hogere correctiefactor dan 1. Een factor van 3, zoals gevraagd, is echter buitensporig en kan alleen aan de orde zijn in het geval onverkorte toepassing van de kantonrechtersformule tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, zoals bij een zeer kort dienstverband. In beginsel is 2 de maximale correctiefactor. In onderhavig geval is echter een factor 1,4 billijk, waarbij wordt meegewogen dat de werkgever de werkneemster uit het concurrentiebeding heeft ontheven en zij eventuele optieschade in een aparte procedure kan vorderen. Een en ander resulteert in een vergoeding van € 127.000,-- bruto.

Terug naar overzicht