Rechtbank Haarlem 18-12-2001, JAR 2002, 186


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (naast ontbindingsvergoeding).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 186.

De werknemer is in november 1997 door de werkgever benaderd teneinde bij deze in dienst te treden. De werknemer was op dat moment werkzaam als commercieel directeur bij een ander bedrijf alwaar hij deelnam aan een optieregeling op basis waarvan hij eind 1997 beschikte over een pakket opties met een waarde van NLG 1.092.778,--. In het kader van de overstap zijn partijen overeengekomen dat de holding van de werkgever de werknemer na drie jaar een optiepakket zou toekennen met dezelfde waarde. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen drie jaar zou de werknemer geen beroep op deze regeling kunnen doen. Per 15 mei 2000 heeft de rechtbank op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst van de werknemer, inmiddels statutair directeur, ontbonden. Daarbij heeft de rechter een vergoeding aan de werknemer toegekend van NLG 197.800,--. Een eventuele claim uit hoofde van de compensatieregeling heeft de rechter uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten. De werknemer heeft vervolgens aanspraak gemaakt op nakoming van de compensatieregeling. De werkgever heeft dit van de hand gewezen, waarna de werknemer de compensatieovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Hij vordert nu in rechte vergoeding van de daardoor geleden schade. De rechtbank verwerpt het verweer van de werkgever dat een vergoeding voor het gemis van de compensatieregeling geacht moet worden te zijn gecompenseerd in het kader van de ontbindingsvergoeding. Het gaat hier, aldus de rechtbank, niet om een vordering strekkende tot een op de billijkheid gebaseerde vordering, maar om een vordering gericht tegen een andere partij, de holding, die is gebaseerd op een met deze overeengekomen compensatieregeling. De schadevergoeding strekt niet tot verkrijging van onzekere voordelen, omdat zeker was dat de werknemer na drie jaar zou beschikken over een pakket aandelen ter waarde van het pakket van de opties die hij verloor bij het vertrek bij zijn vorige werkgever. Het feit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen binnen drie jaar is geëindigd, brengt niet mee dat de werknemer geen beroep kan doen op de compensatieregeling. Dit zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, gelet op de verkeerde verwachtingen die bij de werknemer zijn gewekt over zijn overstap, het feit dat de werkgever wist dat het optiepakket voor de werknemer een essentiële voorwaarde voor indiensttreding was en het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat hij niet goed heeft gefunctioneerd. De werkgever dient de schade van de werknemer te vergoeden, bestaande uit het eerdergenoemde bedrag van NLG 1.092.778,--.

Terug naar overzicht