Rechtbank Haarlem 28-04-2003, JAR 2003, 178


Gezagsverhouding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 178.

Het UWV heeft geoordeeld dat de "werknemer" in de jaren 1997 tot en met 1999 voor de "werkgever" werkzaam is geweest in een arbeidsverhouding die ingevolge art. 3 ZW, WAO en WW verplichte verzekering met zich brengt. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 1 november 1997 beëindigd. Vanaf die datum heeft de "werknemer" als zelfstandige zijn werkzaamheden als monteur voortgezet. Het UWV stelt dat de "werknemer" dit heeft gedaan vanuit dienstbetrekking. De "werkgever" voert aan dat de "werknemer" het werk verrichtte als zelfstandige en dat er geen sprake was van een gezagsverhouding. De rechtbank stelt voorop dat, wanneer een werknemer na zijn ontslagname aansluitend bij dezelfde onderneming soortgelijke werkzaamheden gaat verrichten als toen hij werknemer was, het in het algemeen in de rede ligt te veronderstellen dat hij nog steeds in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staat, tenzij er feiten en omstandigheden zijn die in een andere richting wijzen. In onderhavig geval ziet de rechtbank echter voldoende aanleiding om van deze aanname af te wijken. Daarbij acht de rechtbank ten eerste van belang dat de "werknemer" zich reeds voor november 1997 als eenmansbedrijf bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven, hij een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten en hij substantiële investeringen heeft gedaan, zoals de aanschaf van een bedrijfswagen, eigen gereedschap en ander materiaal. Voorts is van belang dat de "werkgever" aannemelijk heeft gemaakt dat de "werknemer" in 1997-1999 naast de werkzaamheden die hij voor hem verrichtte, tevens voor een deel van de tijd werkzaamheden heeft verricht voor (meerdere) andere opdrachtgevers, alwaar hij in totaal een aanzienlijke omzet heeft behaald. Dat de "werknemer" in eerste instantie bij de "werkgever" het grootste deel van zijn omzet behaalde, acht de rechtbank begrijpelijk voor een zich ontwikkelend, pas gestart bedrijf. Ter zitting is tenslotte gebleken dat de "werkgever" onderhoudsen reparatiewerkzaamheden liet verrichten door zowel monteurs die bij hem in dienst waren als door monteurs die bij andere ondernemingen in dienst waren. De visie van de "werkgever" dat de "werknemer" één van de ondernemingen was met wie gecontracteerd werd terzake van onderhoud en reparatie onderschrijft de rechtbank dan ook. Een en ander betekent dat niet kan worden aangenomen dat na november 1997 nog sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Terug naar overzicht