Rechtbank Maastricht 06-07-2000, JAR 2000, 203


Ontslag op staande voet. Detachering in het buitenland. Competentie. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 203.

Een Nederlandse, in Nederland wonende, werknemer in dienst van een Nederlandse werkgever, maar werkzaam in Duitsland wordt op staande voet ontslagen wegens onwettig verzuim en vordert met een beroep op vernietigbaarheid van het ontslag wegens het ontbreken van een RDA-vergunning doorbetaling van loon. De rechtbank acht zich in hoger beroep, evenals de kantonrechter, bevoegd van de vordering kennis te nemen. Weliswaar bevatte de arbeidsovereenkomst een Duitse forumkeuze, maar op grond van art. 2 EEX is de Nederlandse rechter bevoegd. Nu de arbeidsovereenkomst geen rechtskeuze bevatte is op grond van art. 6 EVO Duits recht van toepassing. Het feit dat het Nederlandse partijen betreft en de overeenkomst in Nederland is getekend weegt als aanknopingspunt met het Nederlandse recht niet op tegen de verdere aanknopingspunten met het Duitse recht: de overeenkomst is in het Duits, het loon in DM en de sociale premies werden in Duitsland afgedragen. De ratio van de verwijzingsregel van art. 6 EVO is het bieden van een gelijke bescherming aan alle in een bepaald land werkzame werknemers. De rechtbank draagt de werkgever bewijs op van een dringende reden naar Duits recht. De werkgever slaagt niet in dat bewijs op grond waarvan het ontslag naar Duits recht nietig is en geconverteerd wordt in een normale opzegging op een termijn van een maand. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan de toepasselijkheid van het BBA omdat volgens de rechtbank naar Duits recht het effect van een nietig geldig ontslag op staande voet hetzelfde zou zijn.

Terug naar overzicht