Rechtbank Maastricht 08-04-1999, JAR 1999, 100, NJ 1999, 514


Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen (voorwaardelijke). Schadeloosstelling. Wraking.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 100.

Een werknemer wordt op staande voet ontslagen en de werkgever verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt voorwaardelijk en stelt de vergoeding vast op NLG 50.000,--, waarop de werkgever het verzoek intrekt. Als de werkgever opnieuw een verzoek tot ontbinding indient, komt dezelfde kantonrechter terug op zijn eerdere oordeel en ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder een vergoeding. De werknemer heeft inmiddels nietigverklaring van het ontslag op staande voet gevorderd, waarbij dezelfde kantonrechter als rechter ter comparitie is opgetreden. De werknemer twijfelt vervolgens aan de onpartijdigheid en de onbevooroordeeldheid van de kantonrechter en dient een wrakingsverzoek in. De rechtbank stelt voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel aannemelijk is geworden. Dit vermoeden wordt niet aangetast doordat een rechter al eerder een beslissing heeft gegeven die verband houdt met een later aan zijn beoordeling onderworpen geval. Het feit dat de kantonrechter ook de ontbindingsverzoeken heeft behandeld is derhalve geen grond om aan te nemen dat zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit wordt niet anders door het feit dat de kantonrechter in de ontbindingsprocedure in een voor werknemer ongunstige zin van gedachte is veranderd. De werknemer heeft niet aangevoerd dat dit door iets anders kwam dan door de in een latere fase door de werkgever aangevoerde stellingen. De rechter dient rekening te houden met deze nadere stellingen en hij mag daar bovendien zijn beslissing op baseren in een ontbindingsprocedure, waarin voor bewijslevering geen plaats is. De rechtbank wijst het wrakingsverzoek af.

Terug naar overzicht