Rechtbank Middelburg 11-09-2002, JAR 2003, 11


Aansprakelijkheid werkgever. Bedrijfsongeval. Bewijs. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 11.

Eiser is gehuwd geweest met een vrouw die op 30 april 2001 overleden is aan de gevolgen van mesothelioom. De diagnose hiervoor is gesteld op 24 februari 2000. De vader van de vrouw is van 1939 tot 1981 bij gedaagde, de werkgever, in dienst geweest. Eiser stelt dat zijn vrouw mesothelioom heeft gekregen doordat haar vader bij zijn werkzaamheden in contact is gekomen met asbest en zij samen met haar moeder de werkkleding van haar vader heeft schoongemaakt en gewassen. Daarbij zou ook zij aan asbest blootgesteld zijn geweest. Eiser en zijn vrouw hebben de werkgever bij brief van 15 november 2000 aansprakelijk gesteld. De werkgever stelt dat de vordering verjaard is. In elk geval vanaf 1970 zou hij alle bedrijfskleding zelf hebben gewassen. Voor het overige betwist de werkgever onrechtmatig te hebben gehandeld. De rechtbank draagt de werkgever op om te bewijzen dat de blootstelling aan asbest op of vóór 15 november 1970 is geëindigd. Slaagt hij daarin, dan staat vast dat eventueel onrechtmatig handelen enkel heeft plaatsgevonden buiten het bereik van de verjaringstermijn van 30 jaar van art. 3:310 lid 2 BW, namelijk vóór 15 november 1970. De rechtbank gaat vervolgens, aan de hand van het arrest van de Hoge Raad (HR 28-04-2000, Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, NJ 2000, 430, JAR 2000, 122, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 27), na of er in onderhavig geval ruimte is voor doorbreking van de verjaringstermijn. De rechtbank concludeert dat dit niet het geval is, waarbij hij met name belang hecht aan het feit dat het in deze zaak niet gaat om de rechtstreekse blootstelling van een werknemer aan onveilige werkomstandigheden, maar om de aanhechting van asbest aan werkkleding die vervolgens thuis is schoongemaakt. De mate van verwijtbaarheid van de werkgever, indien aanwezig, is daarom gering. Niet gebleken is van het bestaan van enige destijds kenbare bron waarin op het risico van thuisbesmetting werd gewezen. Verder kon de werkgever, ook tijdens het verder verstrijken van de verjaringstermijn, maar in beperkte mate met aansprakelijkheid voor thuisbesmetting rekening houden, gelet op de twijfel over het bestaan daarvan. Daarom is een beroep op de verjaringstermijn niet onaanvaardbaar.

Terug naar overzicht