Rechtbank Middelburg 22-09-1999, JAR 1999, 229


Ontbinding gewichtige redenen. Ongewenste intimiteiten.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 229.

Een arbeidsvoorzieningsorganisatie verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een 48-jarige projectmanager (27 jaar in dienst, salaris NLG 7.566,-- bruto per maand) op grond van seksuele intimidatie en subsidiair op grond van het geschonden vertrouwen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 120.000,-- bruto. De werkgever meent dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de werknemer in hoge mate is te verwijten en dat hij op grond van de CAO geen aanspraak heeft op wachtgeld. Als de beroepscommissie het bezwaar van de werknemer ongegrond verklaart, vordert de werknemer in rechte toekenning van wachtgeld. De kantonrechter wijst de vordering af. In hoger beroep stelt de werknemer dat er slechts sprake kan zijn van een algehele weigering van wachtgeld, indien er sprake is van "hoge, overwegende mate van verwijtbaarheid". De rechtbank stelt vast dat in 1992 klachten over seksuele intimidatie door de werknemer hebben geresulteerd in zijn overplaatsing. Uit de klachten die in 1996 door een aantal vrouwelijke collega's zijn geuit, blijkt dat de werknemer geen lering heeft getrokken uit hetgeen in 1992 is gebeurd. Afgezien van de niet als opgedrongen ervaren contacten met twee collega's in de privé-sfeer, rechtvaardigen de omschreven gedragingen de conclusie dat de werkloosheid in hoge en overwegende mate aan de werknemer is te wijten. De weigering wachtgeld toe te kennen is dan ook terecht. Het feit dat de werkgever geen beleid voerde ten aanzien van seksuele intimidatie, doet daar niet aan af. Gezien de eerdere waarschuwingen, kan de werknemer daarop geen beroep doen. Ook het feit dat de collega's niet eerder hebben geklaagd over zijn ongewenst gedrag, doet niet terzake, omdat het aanspreken van collega's op dergelijk gedrag nu eenmaal niet gemakkelijk is. De rechtbank wijst de vordering af.

Terug naar overzicht