Rechtbank Middelburg 23-12-1998, JAR 1999, 113


Bedrijfsongeval (mesothelioom). Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 113.

Een werknemer stelt tijdens zijn dienstverband te zijn blootgesteld aan asbest, waardoor hij een mesothelioom heeft opgelopen. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat de werkgever hiervoor aansprakelijk is. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat de werknemer onvoldoende heeft aangetoond dat hij aan asbest is blootgesteld. De rechtbank overweegt in het hoger beroep van de werknemer dat voor het slagen van een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW dat de werknemer dient te stellen en zonodig te bewijzen dat er schade is, die hij heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. In dit geval heeft de werknemer gesteld blootgesteld te zijn aan asbest, doch nu de werkgever dit heeft betwist, diende de werknemer daadwerkelijke blootstelling te bewijzen. In art. 7:658 lid 2 BW is weliswaar een bijzondere bewijslastverdeling opgenomen, doch die geldt inzake de vraag of de werkgever tekort is geschoten in zijn zorgverplichting en niet de vraag of de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het feit dat de werknemer mesothelioom heeft en geen andere oorzaak bekend is dan blootstelling aan asbest en het feit dat bij de werkgever met asbest is gewerkt en de werknemer op verschillende plaatsen werkzaam was, wil niet zeggen dat de werknemer bij de werkgever is blootgesteld aan asbest. Dit geldt temeer, nu de werkgever heeft betwist dat de werknemer met asbestverwerking te maken heeft gehad. Naar aanleiding hiervan kan er niet van worden uitgegaan dat de werknemer is blootgesteld aan asbest en voor omkering van de bewijslast bestaat geen aanleiding. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht