Rechtbank Middelburg 28-06-2000, JAR 2000, 161


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling. Habe nichts exceptie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 161.

Een 36-jaar oude boekhouder, zeven jaar in dienst, salaris NLG 4.106,83 bruto per maand wordt opgezegd met ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen zonder toekenning van een afvloeiingsregeling. In de kennelijk onredelijk ontslagprocedure vordert de werknemer een schadevergoeding berekend op basis van de kantonrechtersformule. De kantonrechter overweegt dat de kantonrechtersformule van de ontbindingsprocedure niet van toepassing is bij kennelijk onredelijk ontslagvorderingen en verwerpt het standpunt van de werknemer dat naar de heersende rechtsopvatting elk ontslag in beginsel gepaard zou dienen te gaan met een vergoeding behoudens bijzondere omstandigheden. Het criterium in een procedure op basis van kennelijk onredelijk ontslag is en blijft het wettelijk criterium in art. 7:681 BW. Als het ontslag kennelijk onredelijk zou zijn zouden in sommige gevallen de bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen zijn om de kantonrechtersformule als uitgangspunt te nemen. De kansen van de werknemer zijn gezien zijn leeftijd en de economische situatie op de arbeidsmarkt niet slecht, terwijl de werkgever een negatief eigen vermogen heeft en al jaren verlies lijdt. Onder die omstandigheden acht de kantonrechter het ontslag niet kennelijk onredelijk. De rechtbank onderschrijft dat de "aanbevelingen" van de kantonrechtersformule niet zijn gegeven voor de kennelijk onredelijk ontslagprocedure en niet als vaststelling van recht zijn gedaan. Voor wat betreft de slechte financiële positie van de werkgever wijst de rechtbank erop dat indien ontbinding was gevraagd het negatieve bedrijfsresultaat in de risicosfeer van de werkgever had gelegen, zodat dan een correctiefactor van C=1 zou zijn gehanteerd en op grond daarvan een vergoeding van zes maanden zou zijn toegekend. Door het kiezen voor het vragen van een ontslagvergunning en opzegging is de arbeidsovereenkomst zes maanden later geëindigd dan waarop die theoretisch zou zijn ontbonden, zodat de werknemer bij ontbinding niet beter af zou zijn geweest. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Verder lezen
Terug naar overzicht