Rechtbank Roermond 12-07-2001, JAR 2001, 172


Gratificatie. Wettelijke verhoging. Wettelijke rente.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 172.

De werknemer is tot 1 juli 2000 bij de werkgever in dienst geweest. In onderhavige procedure vordert hij betaling van achterstallige tantième. De kantonrechter heeft een half maandsalaris aan vast tantième toegewezen en heeft de vorderingen van de werknemer voor het overige afgewezen. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt de rechtbank dat de werknemer nog recht heeft op driekwart maandsalaris aan vast tantième. Op variabel tantième kan hij geen aanspraak maken, nu de werkgever van betaling daarvan mocht afzien in geval niet goed werd samengewerkt. De werknemer stelt dat het vaste tantième opeisbaar was op het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst omdat ex-werknemers op een snelle en eenvoudige wijze hun tantièmerecht moeten kunnen verhalen. Art. 7:641 BW (uitbetaling vakantiedagen) en art. 17 Wet Minimumloon zouden hierbij analoog moeten worden toegepast. De rechtbank stelt vast dat er weliswaar sprake is van een loonrecht dat niet afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid (art. 7:624 is daarom niet van toepassing), maar dat art. 7:641 en art. 17 Wet Minimumloon in onderhavig geval niet toegepast kunnen worden omdat de werkgever op grond van de arbeidsovereenkomst het vaste tantième eerst uiterlijk in september 1999 hoefde te betalen. Daarom is wettelijke rente eerst verschuldigd vanaf 1 oktober 1999 en kan de werknemer geen aanspraak maken op wettelijke verhoging. Wel wijst de rechtbank, anders dan de kantonrechter, de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten toe, nu de afrekening over 1998 zodanig onduidelijk was dat de werknemer zich daarover terecht vragen heeft mogen stellen. De hoogte van deze kosten baseert de rechtbank op het zogenaamde "Rapport Voorwerk" (NLG 1.460,--)

Verder lezen
Terug naar overzicht