Rechtbank Rotterdam 01-04-1999, JAR 1999, 99


Loon. Ziekte. Sollicitatie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 99.

Een werkneemster, die aan een bijzondere vorm van heupdysplasie lijdt en die daarvan geen melding maakt tijdens het sollicitatiegesprek, treedt voor één jaar in dienst als verkoopster. De werkneemster wordt kort na haar proeftijd ziek en de werkgever weigert na drie maanden ziekte het loon door te betalen. De werkneemster vordert vervolgens doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. De kantonrechter (Rotterdam 18-02-1998, JAR 1998, 89, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 181) is van oordeel dat het verzwijgen van voor de functie relevant medische beperkingen leidt tot verlies van de loonaanspraak indien de werkneemster wist of had behoren te weten dat de medische beperkingen haar ongeschikt maken voor de functie waarnaar zij solliciteerde. Omdat de werkneemster dit laatste betwist, beveelt de kantonrechter de deskundige, als bedoeld in art. 7:629a lid 5 BW een schriftelijk oordeel te geven. Naar aanleiding van zijn verklaring acht de kantonrechter aannemelijk dat de werkneemster ten tijde van haar sollicitatie wist of redelijkerwijs had dienen te begrijpen dat haar rug- en heupklachten haar ongeschikt maakten voor het werk bij de werkgever. De kantonrechter wijst de vordering af. In hoger beroep is de rechtbank van oordeel dat de werkneemster tijdens de sollicitatie had behoren te beseffen dat zij gezien haar fysieke gebreken niet in staat zou zijn de functie van verkoopster te vervullen. Deze gebreken had de werkneemster onder de aandacht van de werkgever moeten brengen. De stelling van de werkneemster dat op grond van art. 7:629 BW alleen werknemers, die in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie verstrekken, geen recht op doorbetaling van loon hebben, is niet juist. De bedoeling van dit artikel is nu juist te voorkomen dat een sollicitant gehouden is informatie te verstrekken over zijn gezondheid, die voor het vervullen van de functie niet van belang is. Deze situatie doet zich hier niet voor omdat het hier juist gaat om beperkingen die het vervullen van de functie verhinderen. Mede gezien het feit dat de werkneemster kort na afloop van de proeftijd is uitgevallen, verzetten de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat de werkneemster aanspraak kan maken op verdere doorbetaling van loon. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht