Rechtbank Rotterdam 02-09-1999, JAR 1999, 191


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. Ziekte (geen reïntegratieplan overgelegd).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 191.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte sorteermedewerkster (acht jaar in dienst) omdat haar werkzaamheden zijn komen te vervallen. De kantonrechter overweegt dat voldoende aannemelijk is dat de arbeidsplaats komt te vervallen en omdat reïntegratie feitelijk niet mogelijk is, een reïntegratieplan niet is vereist. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. De werkneemster gaat in hoger beroep, stellende dat nu er geen reïntegratieplan is overgelegd, de werkgever niet-ontvankelijk was en de kantonrechter dus ten onrechte art. 7:685 BW heeft toegepast. De rechtbank overweegt dat de wetgever groot belang heeft gehecht aan het overleggen van een door het Lisv getoetst reïntegratieplan, ook ingeval reïntegratie bij voorbaat uitgesloten kan worden geacht en terugkeer niet in de lijn der verwachting ligt (bijvoorbeeld bij bedrijfssluiting en ontbinding wegens dringende reden). De wetgever heeft dit belang zo groot geoordeeld dat overlegging van een reïntegratieplan op straffe van niet-ontvankelijkheid van de werkgever in zijn verzoek is voorgeschreven. Dit betekent dat bij het niet overleggen van een reïntegratieplan de rechter niet toekomt aan een inhoudelijke toetsing van het ontbindingsverzoek. De rechtbank verklaart de werkgever alsnog niet-ontvankelijk. Herstel van het verzuim door alsnog een reïntegratieplan te overleggen is niet mogelijk.

Terug naar overzicht