Rechtbank Rotterdam 18-02-1999, JAR 1999, 72


CAO. Minimumloon. Loon (fooien). Vakvereniging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 72.

(Hoger beroep kantonrechter Rotterdam 28-04-1998, JAR 1998, 116, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 70). Een werkgever houdt een deel van de fooien in op het CAO-salaris van de werknemers. De werknemers die minder aan fooi ontvangen dan het bedrag dat wordt ingehouden, ontvangen later een aanvulling. De vakvereniging stelt dat deze regeling in strijd is met de wet en met de van toepassing zijnde CAO en vordert terzake een verklaring voor recht. De kantonrechter meent dat de werkgever ten onrechte de fooien inhoudt en stelt de vakvereniging grotendeels in het gelijk. De werkgever gaat in hoger beroep. De rechtbank overweegt dat de werkgever op grond van zowel de wet als de CAO met betrekking tot de door de werknemers verrichte arbeid het bruto loon dient te betalen dat is overeengekomen of dat volgt uit de CAO. De door de werkgever gehanteerde regeling is hiermee in strijd. Het effect van het beding is namelijk dat de werknemer een deel van het loon waarop hij volgens de CAO recht heeft in feite zelf dient te betalen uit de fooien, die door derden betaald zijn voor zijn diensten en die hem toebehoren. Bovendien is de verplichting om een deel van de door de werknemers ontvangen fooien aan te wenden tot dekking van de loonverplichting van de werkgever in strijd met art. 7:631 lid 2 BW en dus nietig. Ook het feit dat de werknemer, die minder fooi ontvangt dan wordt ingehouden, dit zelf moet aantonen, verdraagt zich niet met de verplichting van de werkgever zonder meer tegenover de verrichte arbeid het overeengekomen loon te betalen. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en verwijst de zaak naar de kantonrechter ter verdere beslissing.

Terug naar overzicht