Rechtbank Rotterdam 20-12-2001, NJ 2002, 136


Aansprakelijkheid werknemer. Bedrijfsongeval (aan boord van een zeeschip; analoge toepassing van art. 7:658 BW).

Aan boord van een coaster doet zich op zee een explosie voor in het ruim, waarbij een leerlingmatroos zwaar gewond raakt. De explosie is veroorzaakt door uit de lading vrijgekomen hexaangas en door toedoen van de matroos die na diensttijd het afgesloten ruim in ging en zijn aansteker gebruikte om zich bij te lichten. De reder vordert een verklaring voor recht dat hij niet aansprakelijk is jegens de matroos en schadevergoeding wegens tijdverlet. De rechtbank gaat ervan uit dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht. Hoewel art. 450b WvK bepaalt dat art. 7:658 BW geen toepassing vindt ten aanzien van de dienst van de schepeling aan boord van een schip, is de rechtbank van oordeel dat de werksituatie aan boord van een schip niet zodanig afwijkt dat een andere benadering dan die op grond van het gewone arbeidsrecht gerechtvaardigd is. De vraag of de reder als zeewerkgever aansprakelijk is voor de schade van de werknemer, geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, behoort dan ook te worden beantwoord aan de hand van art. 7:658 BW met inbegrip van de stelplicht en de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" in dit geval ruim opgevat moet worden. Het feit dat de werktijd was geëindigd en de matroos geen opdracht had gekregen het ruim binnen te gaan, doet daar niet aan af. De reder is aansprakelijk tenzij hij aantoont zijn zorgplicht te zijn nagekomen of dat de schade voornamelijk het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit laatste is niet gesteld. De rechtbank concludeert dat de reder verschillende veiligheidsvoorschriften niet heeft nageleefd en dat het volledig afsluiten van het ruim een grote rol heeft gespeeld bij de ontploffing. De reder is derhalve te kort geschoten in zijn zorgplicht en er bestaat een causaal verband tussen dit tekortschieten en het ongeval. Dit zou anders zijn indien de reder aantoont dat het in acht nemen van de veiligheidsvoorschriften het ongeval waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen. Hij krijgt daartoe bewijsopdracht evenals dat hij dient te bewijzen dat ingeval de kapitein had beseft welke lading met welke gevaren hij aan boord had, dit geen verschil had gemaakt voor de redelijkerwijs van hem te verlangen veiligheidsmaatregelen, nog voor het voorkomen van de ontploffing. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van de matroos jegens de reder, overweegt de rechtbank dat op grond van art. 7:661 BW de werknemer niet jegens zijn werkgever aansprakelijk is voor de schade die hij de werkgever heeft toegebracht, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewust roekeloosheid. De rechtbank is van oordeel dat de werknemer zich niet…

Terug naar overzicht