Rechtbank 's-Gravenhage 01-03-2000, JAR 2000, 98


Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen. Keuze nietigheid /schadeplichtigheid. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 98.

Een tuinbouwmedewerker (12 jaar in dienst, salaris NLG 3.494,21 bruto per maand) wordt op staande voet ontslagen wegens mishandeling van de directeur. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk zonder vergoeding. De kantonrechter geeft uitdrukkelijk te kennen dat hij geen rekening heeft gehouden met de aanspraak van de werknemer op een vergoeding omdat hij daarvoor een afzonderlijke procedure kan voeren. Twee weken na de beschikking trekt de werkgever het ontslag op staande voet in. De werknemer vordert vervolgens een schadevergoeding wegens het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst een bedrag toe op grond van art. 7:677 lid 4 BW (gefixeerde schadevergoeding). Zowel de werkgever als de werknemer gaan in hoger beroep. De rechtbank stelt voorop dat als gevolg van de intrekking van het ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst door ontbinding is geëindigd. Van schadeplichtigheid op grond van art. 7:677 lid 1 BW is dan ook geen sprake. Dit betekent echter niet dat van toekenning van een schadevergoeding wegens het eerder gegeven ontslag op staande voet geen sprake kan zijn of dat geen toetsing meer kan plaatsvinden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. In geval de rechter uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven bij de vaststelling van een vergoeding geen rekening te houden met bepaalde aanspraken, overwegende dat de werknemer een afzonderlijke procedure zou kunnen entameren, leidt een redelijke wetstoepassing ertoe dat deze niet meegewogen aanspraak in een afzonderlijk geding aan de eisen van redelijkheid en billijkheid wordt beoordeeld (zie ook HR 24-10-1997, Baijings/Sara Lee, RvdW 1997, 207, JAR 1997, 248, NJ 1998, 257, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 192 en HR 05-03-1999, Tulkens/FNV, RvdW 1999, 43, JAR 1999, 73, NJ 1999, 644, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 145). In dit geval blijkt dat de kantonrechter er zonder meer van uit ging dat de vraag of een vergoeding zou moeten worden toegekend, zou worden beoordeeld in een reeds door de werknemer aanhangig gemaakte bodemprocedure. Aannemelijk is dat de kantonrechter, indien de werkgever het ontslag op staande voet voor de ontbinding had ingetrokken, de werknemer een vergoeding conform de kantonrechtersformule zou hebben toegekend. Anders dan de kantonrechter ziet de rechtbank wel reden om bij vaststelling van de schade hierbij aansluiting te zoeken. Vast moet komen te staan in hoeverre partijen verwijtbaar hebben gehandeld en de rechtbank laat de werkgever toe bewijs te leveren.

Terug naar overzicht