Rechtbank 's-Gravenhage 01-09-1999, JAR 2000, 10


Gelijke behandeling. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 10.

Twee werkneemsters vorderen vanaf 8 april 1976 (HvJ EG, Defrenne) althans vanaf datum indiensttreding (1982, resp. 1973) opname in de bedrijfspensioenregeling. De werkneemsters hebben destijds afgezien van deelname aan de pensioenvoorziening omdat de pensioenleeftijd voor vrouwen in tegenstelling tot die van mannen op 60 jaar werd gesteld en zij niet op 60-jarige leeftijd met pensioen wilden gaan. De werkneemsters stellen dat er sprake is van ongelijke behandeling in strijd met art. 141 (voorheen art. 119) EG Verdrag. Omdat er sprake is van ongelijkheid ten aanzien van de toelating tot de pensioenregeling geldt volgens de werkneemster niet de temporale beperking van het Barber-arrest (HvJ EG 17-05- 1990, NJ 1992, 436, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1992, blz. 104). De kantonrechter is van oordeel dat het verschil in pensioenleeftijd in strijd is met art. 119 EG-verdrag (oud). Het beroep op de werking van dit artikel is echter beperkt tot de datum van het Barber-arrest. De beperking geldt echter niet het recht op aansluiting doch wel de discriminatie, waarvan voorheen redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat deze getolereerd werd. Daarmee bedoelde het Hof voornamelijk de naar geslacht verschillende pensioenleeftijden. De destijds geldende pensioenregeling van de werkgever maakte een dergelijk onderscheid, die niet de toegang tot de regeling betrof. Dit betekent dat de werkneemsters geen aanspraak op een pensioenvoorziening hebben over de periode voor 1990. Bovendien hebben de werkneemsters niet aannemelijk gemaakt de werkgever reeds voor 11 september 1995 te hebben verzocht om toelating tot de pensioenvoorziening. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht