Rechtbank 's-Gravenhage 01-11-2000, JAR 2001, 18


(Ontslag in) Proeftijd (misbruik van bevoegdheid?).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 18.

De werkgever heeft de werknemer (40 jaar, voor bepaalde tijd van één jaar in dienst, salaris NLG 7.000,-- bruto per maand) tijdens de tussen partijen overeengekomen proeftijd ontslagen. Aanleiding daarvoor is het feit dat de werknemer zich op de eerste dag van het dienstverband heeft ziek gemeld alsmede "een aantal incidenten" die zich hebben voorgedaan voorafgaande aan het dienstverband. Deze incidenten betreffen het niet bezoeken van een aantal vestigingen van de werkgever en het niet opstellen van een stuk voor een presentatie door de werkgever. De werknemer stelt primair dat de werkgever misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het proeftijdbeding in te roepen, subsidiair dat de werkgever in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld. De kantonrechter heeft de vorderingen van de werknemer afgewezen. Op het door de werknemer ingestelde hoger beroep overweegt de rechtbank dat blijkens de opzeggingsbrief de ziekmelding één van de onbetrouwbare gedragingen was die heeft geleid tot de opzegging. In die brief schrijft de werkgever dat de beide (andere) incidenten al op voorhand bij haar het vertrouwen in de werknemer hadden weggenomen, doch feitelijk heeft zij daarin geen aanleiding gezien om de overeenkomst met de werknemer op grond dáárvan te beëindigen. Pas door de ziekmelding heeft de werkgever het vertrouwen in de werknemer definitief verloren. Nu de werkgever niet heeft aangevoerd dat hij enige grond had om te twijfelen aan de juistheid van de ziekmelding, kan deze niet worden aangemerkt als een gedraging die kan dienen als basis voor een beoordeling van de hoedanigheden en geschiktheid van de werknemer. De opzegging vond aldus plaats op een onzakelijk motief. Daarmee is zij in strijd met de eisen van het goed werkgeverschap. Het ontslag wordt niet als nietig aangemerkt. In het algemeen kan nietigheid van een ontslag of opzegging buiten de daarvoor bij de wet omschreven gevallen volgens de rechtbank niet licht worden aanvaard. Het aannemen van de nietigheid zou voorts in dit geval een verdergaande consequentie hebben dan herstel van de dienstbetrekking, wat - in het bijzonder wegens kennelijk onredelijk ontslag - uitdrukkelijk is uitgesloten in art. 7:676 lid 2 BW. Door de opzegging is derhalve een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst. De rechtbank kent de werknemer een schadevergoeding ten laste van de werkgever toe van drie bruto maand- salarissen, daarbij in acht nemende de leeftijd van de werknemer alsmede het feit dat niet kan worden gezegd dat het feitelijk niet tot stand komen van de arbeidsverhouding in overwegende mate aan de werknemer valt toe te rekenen

Terug naar overzicht