Rechtbank 's-Gravenhage 04-12-2002, JAR 2003, 9


Concurrentiebeding. Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 9.

De werknemer is met ingang van 1 augustus 2000 voor onbepaalde tijd bij SPQR in dienst getreden. SQPR is een detacheringsbedrijf dat financieel personeel detacheert bij diverse opdrachtgevers. Van 4 augustus 2000 tot en met 30 november 2000 is de werknemer bij Mojo gedetacheerd geweest. Tussen SQPR en Mojo is overeengekomen dat Mojo de werknemer gedurende de looptijd van de detachering en gedurende één jaar na beëindiging ervan niet in dienst zal nemen op straffe van een boete van NLG 50.000,-- per overtreding. De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst met SQPR opgezegd tegen 30 november 2000 en is met ingang van 3 januari 2001 bij Mojo in dienst getreden. SQPR vordert thans dat Mojo aan haar de boete van NLG 50.000,-- voldoet. Mojo stelt dat het verbod op indienstneming vernietigbaar is omdat hierdoor de vrijheid van arbeidskeuze van de werknemer te vergaand wordt beperkt. Mojo verwijst naar het belemmeringsverbod zoals dat voorheen in de Arbeidsvoorzieningswet was opgenomen. De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een apart belemmeringsverbod niet meer nodig is geacht omdat partijen op grond van het algemene overeenkomstenrecht beschermd zijn tegen onredelijk bezwarende bedingen. Een indirect belemmeringsbeding zoals hier aan de orde wordt derhalve niet door een wettelijke bepaling verboden. In onderhavig geval is geen sprake van een onredelijk bezwarend beding en is het beroep van SQPR op het beding niet in strijd met art. 6:248 lid 2 BW. Van belang in dit opzicht is dat de werknemer ook een jaar na beëindiging van het dienstverband bij SQPR bij Mojo had kunnen gaan werken, terwijl hij ook terstond elders in dienst had kunnen treden. Mojo kan zich bovendien niet jegens SQPR beroepen op de vrijheid van arbeidskeuze van de werknemer. Verder heeft SQPR belang bij het kunnen detacheren van door hemzelf geselecteerde werknemers zonder hen direct aan opdrachtgevers te verliezen. Dit belang mag hij beschermen door een boete te stellen op indienstneming van een gedetacheerde werknemer. In casu is er, gelet op de omstandigheden van het geval, geen reden om de boete te matigen tot een lager bedrag dan NLG 50.000,--.

Verder lezen
Terug naar overzicht