Rechtbank 's-Gravenhage 07-07-1999, JAR 1999, 210


Kennelijk onredelijk ontslag. Anciënniteitsbeginsel. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 210.

Een werknemer vordert een schadevergoeding van NLG 12.523,35 op grond van kennelijk onredelijk ontslag. Volgens de werknemer is het ontslag op onjuiste gronden verleend nu twee werknemers, die later in dienst zijn gekomen dan werknemer en voor wie ook ontslagvergunning was aangevraagd, na het ontslag van de werknemer zijn blijven werken. Bovendien is opgezegd ondanks een opzegverbod (ziekte). Daarnaast is het ontslag kennelijk onredelijk omdat geen afvloeiingsregeling is aangeboden. De kantonrechter acht de werknemer niet geslaagd in het bewijs dat beide ex-collega's werkzaam zijn gebleven voor werkgever en wijst de vordering af. De rechtbank deelt dit oordeel van de kantonrechter en ziet geen aanleiding de werknemer tot nader bewijs van zijn stellingen toe te laten. De rechtbank is voorts van oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is omdat geen vergoeding zou zijn aangeboden. Ook is het ontslag niet kennelijk onredelijk wegens schending van een opzegverbod. Op grond van art. 7:677 lid 5 BW maakt het niet in acht nemen van art. 7:670 lid 3 BW de werkgever niet schadeplichtig. Het niet in acht nemen van een opzegverbod kan dus niet kennelijk onredelijk zijn, omdat dit anders tot schadeplichtigheid leiden zou. Het bepaalde in art. 7:677 lid 5 BW zou in feite zonder betekenis zijn. Het had op de weg van de werknemer gelegen bijkomende omstandigheden te stellen op grond waarvan het ontslag kennelijk onredelijk moet worden geacht. De werknemer heeft dit echter niet gedaan. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht