Rechtbank 's-Gravenhage 11-11-1998, 22-12-1999, JAR 2000, 26


Onkostenvergoeding (studiekosten). Goed werkgeverschap. Gelijke behandeling. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 26.

Een uitvoeringsinstelling sociale zekerheid vordert van een verzekeringsarts terugbetaling van NLG 5.160,83 aan studiekosten. De werknemer heeft vrijwillig ontslag genomen uit grote onzekerheid over het voortduren van zijn dienstverband. De werknemer stelt dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid en dat de werkgever zich niet als een goed werkgever gedraagt door hier geen rekening mee te houden. Bovendien is er sprake van ongelijke behandeling nu de studiekosten van boventallige verzekeringsartsen die bij een andere vennootschap in dienst zijn getreden, zijn kwijtgescholden. De kantonrechter wijst de vordering af. De rechtbank laat de werkgever toe te bewijzen dat de werknemer wist dat hij niet boventallig was en dat niet aan alle werknemers die in dienst traden bij de andere vennootschap kwijtschelding van de studieschuld is verleend. De rechtbank acht de werkgever vervolgens niet geslaagd in de eerste bewijsopdracht. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de werknemer de schuld niet behoeft terug te betalen. Van de werknemer had verwacht mogen worden zich te laten informeren of hij voor overplaatsing in aanmerking zou komen, alvorens elders in dienst te treden. Met betrekking tot de tweede bewijsopdracht is de rechtbank van oordeel dat de werkgever heeft bewezen dat de studieschulden niet zijn kwijtgescholden, maar zijn overgenomen door de vennootschap waarbij de werknemers in dienst traden. Er is dus geen sprake van ongelijke behandeling. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de werknemer tot betaling van de studieschuld.

Terug naar overzicht