Rechtbank 's-Gravenhage 22-01-2003, JAR 2003, 65


Gelijke behandeling. Sollicitatie. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 65.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Delft 04-10-2001, JAR 2001, 244, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 16). De "werknemer" heeft bij de "werkgever" gesolliciteerd en heeft daarbij aanspraak gemaakt op een rookvrije werkplek. De "werkgever" heeft laten weten geen 100% rookvrije werkplek te kunnen bieden en heeft de sollicitatie afgewezen. De "werknemer" stelt hierdoor immateriële schade te hebben geleden. De kantonrechter heeft zijn vordering afgewezen. In hoger beroep voert de "werknemer" aan dat de "werkgever" in strijd heeft gehandeld met art. 1 Grondwet omdat hij ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen arbeidsgehandicapte en niet-arbeidsgehandicapte werknemers. Verder stelt hij dat de "werkgever" niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting van art. 4 Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (REA), inhoudende dat werkgevers arbeidsgehandicapten en niet-arbeidsgehandicapten gelijke kansen moeten bieden op deelname aan het arbeidsproces. De rechtbank is van oordeel dat er in casu geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen als bedoeld in art. 1 Gw, nu de "werknemer" zelf erkent dat er sprake is van arbeidsgehandicapte en niet-arbeidsgehandicapte sollicitanten. Wel laat de tweede volzin van art. 1 Gw ruimte open voor nieuwe discriminatiegronden op grond van maatschappelijke omstandigheden. Echter, nu er geen eenduidige geschreven of ongeschreven rechtsnorm is inzake het verbod van gehandicaptendiscriminatie tijdens de sollicitatiefase zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het begrip maatschappelijke zorgvuldigheid. Uitgangspunt hierbij is dat de relatie tussen partijen hóóguit kan worden gekwalificeerd als een precontractuele relatie die bovendien nog in de beginfase verkeert. De "werkgever" heeft aangegeven dat bij hem een aantal rokende werknemers in dienst zijn en hij daarom, hoewel deze werknemers alleen in bepaalde ruimten mogen roken, geen 100% rookvrije ruimte kan bieden. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op het stadium van de onderhandelingen tussen partijen, de "werkgever" hiermee een redelijke en objectieve rechtvaardiging heeft gegeven voor het niet in dienst nemen van de "werknemer". Het beroep op art. 4 REA moet worden verworpen, aangezien werkgevers op grond van deze wet alleen verplicht zijn arbeidsgehandicapten gelijke kansen te bieden als aan niet-arbeidsgehandicapten indien dit redelijkerwijs in hun vermogen ligt. In onderhavig geval heeft de werkgever de mogelijkheden van een rookvrije werkplek onderzocht. Tot meer dan dat was hij, gelet wederom op het stadium van de onderhandelingen tussen partijen, niet gehouden.

Terug naar overzicht