Rechtbank 's-Gravenhage 23-05-2001, JAR 2001, 124


Gelijke behandeling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 124.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter 's-Gravenhage 22-02-2000, JAR 2000, 92, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 158). Op grond van de bij PTT geldende regeling beschikken mannelijke postbodes over een lange broek, van katoen of wol, en kunnen vrouwelijke postbodes kiezen tussen een lange broek of een broekrok, beiden eveneens van katoen of wol. De ABVAKABO stelt dat er aldus sprake is van ongelijke behandeling van mannelijke postbodes omdat zij niet de mogelijkheid hebben om op zomerse dagen hun lange broek te verwisselen voor een korte broek. De Commissie gelijke behandeling heeft geoordeeld dat er sprake is van direct onderscheid naar geslacht. De kantonrechter heeft dit standpunt niet gevolgd. Op het hoger beroep van de ABVAKABO overweegt de rechtbank, in navolging van de kantonrechter, dat de kledingvoorschriften voor postbodes niet beschouwd kunnen worden als arbeidsvoorwaarden in de zin van art. 7:646 BW, doch gezien moeten worden als ordevoorschriften als bedoeld in art. 7:660 BW. Bij het begrip "arbeidsvoorwaarden" moet gedacht worden aan bepalingen omtrent het te verrichten werk, loon, onkostenvergoedingen, arbeidstijden, verlof e.d., maar niet aan kleding- instructies. Indien aangenomen zou moeten worden dat art. 7:646 BW wel van toepassing zou zijn, dan zou er nog geen sprake zijn van een ongeoorloofd onderscheid naar geslacht, aldus de rechtbank. Het dragen van een korte broek door mannelijke postbodes is in Nederland niet algemeen geaccepteerd. PTT mocht daarmee rekening houden daar waar zij met haar kledingvoorschriften een imago nastreeft waarvan degelijkheid en een zekere mate van representativiteit kenmerken zijn. De rechtbank verwerpt het beroep

Terug naar overzicht