Rechtbank 's-Gravenhage 25-09-2002, Prg. 2002, 5959, JAR 2002, 258


Kennelijk onredelijk ontslag. Ontslag op staande voet. Schadeloosstelling (C=1,5). Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 258.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter 's-Gravenhage 28-03-2001, Prg. 2001, 5673, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 225). De werknemer, bijna 57 jaar oud ten tijde van zijn ontslag, is op 27 oktober 1971 bij de Amerikaanse ambassade in Nederland in dienst getreden (salaris NLG 2.648,80 bruto per twee weken). Bij brief van 4 december 1998 heeft het GAK de werknemer bericht dat hij niet meer als arbeidsongeschikt werd beschouwd in de zin van de WAO en dat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. In dezelfde brief is vermeld dat met de werkgever is afgesproken dat de werknemer zich op 15 december 1998 weer beschikbaar stelt voor zijn werkzaamheden. De werknemer heeft zich op die dag bij de werkgever gemeld. Hij is echter niet toegelaten tot zijn werkzaamheden. De werkgever heeft hem in een gesprek meegedeeld dat zijn functie was komen te vervallen. Bij brief van 15 januari 1999 is de werknemer per diezelfde dag ontslagen onder toekenning van een vergoeding van NLG 147.534,--. De kantonrechter heeft vastgesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is en heeft een aanvullende vergoeding aan de werknemer toegekend. Op het hoger beroep van beide partijen overweegt de rechtbank dat het beding in de arbeidsovereenkomst inhoudende dat "local laws and regulations relating to the employment do not govern the service of a local employee" niet kan worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige rechtskeuze voor enig systeem van Amerikaans recht. Derhalve moet naar Nederlands internationaal privaatrecht onderzocht worden welk recht van toepassing is. Dit is volgens de rechtbank het Nederlandse recht nu hiervoor talrijke en consistente aanknopingspunten zijn, zoals de nationaliteit van de werknemer, zijn huisvesting en tewerkstelling, zijn salarisbetaling in Nederlandse valuta en de aansluiting bij de Nederlandse sociale verzekeringen. Uitgangspunt is dat vanwege de immuniteit van jurisdictie van de werkgever de beslissing van deze om de werknemer niet meer tot zijn functie toe te laten, moet worden gerespecteerd. Het ontslag is echter kennelijk onredelijk gelet op het feit dat de werknemer van 1971 tot medio 1997 goed heeft gefunctioneerd, tot aan het moment dat hij een andere cheffin kreeg, dat hij met onmiddellijke ingang is ontslagen, dat hem geen begeleiding is geboden bij het vinden van ander passend werk binnen of buiten de onderneming en dat niet aannemelijk is geworden dat de werknemer een zodanig security risk vormde dat geen opzegtermijn meer in acht genomen kon worden. Eén en ander rechtvaardigt een toepassing van correctiefactor 1,5. Verminderd met het reeds door de werkgever betaalde bedrag komt dit neer op een bedrag van € …

Verder lezen
Terug naar overzicht