Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-01-2000, JAR 2000, 28


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte. Schadeloosstelling. Competentie. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 28.

Een werkgever zegt met toestemming van het Centraal Bureau voor de Grafische Bedrijven de arbeidsovereenkomst van een 55-jarige werknemer (bijna 37 jaar in dienst) op. Tien dagen later wendt de werknemer zich tot de Centrale Commissie Grafisch Bedrijf met het verzoek het ontslag kennelijk onredelijk te verklaren, respectievelijk een schadevergoeding toe te kennen. De commissie acht de werknemer niet ontvankelijk omdat de voorgeschreven termijn van 12 dagen zou zijn overschreden. De werknemer vordert vervolgens bij de kantonrechter op grond van kennelijk onredelijk ontslag een schadevergoeding van NLG 222.435,-- bruto. De werkgever stelt dat de werknemer niet ontvankelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat de Centrale Commissie niet zonder zelfstandig onderzoek naar het moment van opzegging had mogen besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring wegens het overschrijden van de beroepstermijn. De kantonrechter acht het ontslag kennelijk onredelijk omdat de werkgever geen substantiële afvloeiingsregeling heeft getroffen voor de werknemer, te meer daar de werknemer 37 jaar in dienst is geweest en hij, gezien zijn leeftijd en arbeidsongeschiktheid, weinig kansen op de arbeidsmarkt heeft. De rechtbank in hoger beroep is van oordeel dat het bindend advies van de Centrale Commissie niet meebrengt dat daardoor de toegang tot de burgerlijke rechter zou zijn afgesneden. Dat zou in strijd zijn met de Grondwet, respectievelijk het EVRM en het Bupo-verdrag, te meer daar de commissie bevoegd is om over niet tijdig aanhangig gemaakte geschillen een bindend advies te geven. Er is geen sprake van dat het oordeel van de Centrale Commissie een vorm van arbitrage is omdat de wettelijke bepalingen over arbitrage in het Rechtspraakreglement niet van toepassing zijn verklaard. Bovendien wordt de toegang tot de burgerlijke rechter nadrukkelijk niet uitgesloten. De kantonrechter was dus bevoegd over het bindend advies te oordelen. De rechtbank is, in tegenstelling tot de kantonrechter, van oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is. Hoewel de werknemer zeer lang in dienst is geweest en zijn kansen op de arbeidsmarkt gering zijn, heeft de werkgever het loon gedurende drie jaar aangevuld. Bovendien brengt het ontslag geen wijziging in de financiële situatie van de werknemer. De inkomstenderving is niet het gevolg van het ontslag, maar van de arbeidsongeschiktheid, die niet aan werkgever is te wijten. Nu de werknemer geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan het ontslag kennelijk onredelijk moet worden beschouwd, wijst de rechtbank de vordering af.

Terug naar overzicht