Rechtbank 's-Hertogenbosch 13-10-2000, JAR 2000, 258


Ontslag op staande voet. Gefixeerde schadevergoeding. Bewijs. Aansprakelijkheid werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 258.

Een vrachtwagenchauffeur wordt op staande voet ontslagen omdat hij een vrachtwagen met kostbare lading onbeheerd heeft achtergelaten in België in verband met het niet kunnen betalen van de boete van BF 10.000,-- die hem was opgelegd wegens het niet in het bezit zijn van een Eurovignet. Volgens de werknemer kon hij het geld niet lenen van een collega omdat deze het bedrag in het weekend terug wilde hebben en de werknemer onvoldoende saldo had. De werknemer beroept zich op nietigheid en vordert doorbetaling van loon. De werkgever vordert in reconventie de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:680 jo 677 lid 4 BW. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer onverantwoord heeft gehandeld door zijn vrachtwagen onbeheerd achter te laten. Bovendien was hij door zijn werkgever gewezen op de gevolgen daarvan. De kantonrechter verwerpt het standpunt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven nu de vrachtwagen op 26 juli 1997 is achtergelaten en het ontslagbesluit op 28 juli 1997 is verzonden. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af en veroordeelt de werknemer tot betaling van NLG 4.855,68. De werknemer gaat in hoger beroep. De rechtbank stelt voorop dat nu de werkgever in beginsel de dringende reden dient te bewijzen, hij dient te bewijzen dat de collega van de werknemer niet de voorwaarde heeft gesteld het geld alleen te willen voorschieten als hij dit in het weekend zou terugkrijgen en dat de werknemer dit niet aan hem heeft laten weten. De rechtbank is van oordeel dat het ontslag op staande voet niet met terugwerkende kracht kan worden gegeven en dat de opzegging moet worden geacht gedaan te zijn op 28 juli 1997. De rechtbank overweegt voorts dat het er niet toe doet of de werknemer al dan niet uitdrukkelijk gewaarschuwd is voor de gevolgen van het onbeheerd achterlaten van de vrachtwagen. Dit had hij zonder meer moeten weten zeker gezien de kostbare lading. Met betrekking tot het inhouden van de inbraakschade op het loon en de gevorderde gefixeerde schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat voor de aansprakelijkheid van de werknemer ex art. 7:661 BW vereist is dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dus heeft de werkgever ten onrechte de schade ingehouden op het loon en dient de vordering van de werknemer terzake te worden toegewezen. Indien komt vast te staan dat de werknemer terecht op staande voet is ontslagen dan is de werknemer de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd.

Terug naar overzicht