Rechtbank 's-Hertogenbosch 14-07-2000 (Hent), JAR 2000, 219


Opzegtermijn (Fictieve).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 219.

De rechtbank overweegt dat onder de "rechtens geldende termijn" van art. 16 lid 3 WW dient te worden verstaan de opzegtermijn die krachtens het van toepassing zijnde recht zou hebben gegolden. Tot dat recht behoort niet alleen art. 7:672 BW doch ook het overgangsrecht van art. XXI Flexwet (langere oude termijn voor oudere werknemers). De letterlijke tekst van art. 16 lid 3 WW is niet doorslaggevend omdat deze innerlijk tegenstrijdig is. De "rechtens geldende" termijn is ruimer dan de op grond van art. 7:672 BW in acht te nemen termijn en interpretatie van "rechtens geldend" in die zin zou te beperkt zijn. Het argument dat het overgangsrecht in dit geval ten nadele werkt van oudere werknemers, gaat niet op omdat werknemers bij een langere opzegtermijn ook een hogere vergoeding kunnen eisen. Bovendien kan het recht op een WW-uitkering voor het einde van een fictieve opzegtermijn ingaan, als de vergoeding lager is dan het loon over de opzegtermijn. Het gaat niet aan om tegenover de werkgever een langere termijn te hanteren dan voor het uitvoeringsorgaan. De rechtbank is met het Lisv van oordeel dat de opzegtermijn tevens de periode omvat tot aan de dag waartegen kan worden opgezegd. Echter anders dan het Lisv heeft gedaan, moet deze dag ingeval overgangsrecht van toepassing is, worden bepaald aan de hand van het oude art. 7:670 BW in plaats van het nieuwe art. 7:672 BW. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit, doch laat het rechtsgevolg in stand omdat toepassing van zowel het oude als nieuwe recht leidt tot opzegging tegen het einde van de maand.

Verder lezen
Terug naar overzicht