Rechtbank 's-Hertogenbosch 28-05-1999, JAR 1999, 157


Faillissement; sociaal plan. Schadeloosstelling (paulianeuze beëindigingsregeling).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 157.

De arbeidsovereenkomst van een werknemer, hoofd actuariaat, vier jaar in dienst, salaris NLG 9.272,-- bruto per maand, wordt als gevolg van het faillissement van zijn werkgever, een levensverzekeringsmaatschappij, beëindigd met een vergoeding conform het Sociaal Plan (NLG 38.146,22 bruto). Ongeveer twee jaar na indiensttreding is een beëindigingsregeling overeengekomen, volgens welke regeling de werknemer bij einde dienstverband een schadeloosstelling ter hoogte van één jaar salaris, vermeerderd met 10% van de dan geldende pensioengrondslag zou ontvangen. Ter behartiging van de belangen van de gedupeerde polishouders en ter uitvoering van het Sociaal Plan heeft de Verzekeringskamer een stichting opgericht. Met een beroep op de hardheidsclausule in het Sociaal Plan vordert de werknemer van deze stichting een vergoeding conform de beëindigingsregeling, onder aftrek van hetgeen hij ontvangen heeft krachtens het Sociaal Plan, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter is met de stichting van oordeel dat er sprake is van een onverplichte rechtshandeling in de zin van art. 3:45 BW, omdat er geen wettelijke noch contractuele verplichting bestond tot het aangaan van de beëindigingsovereenkomst. Deze overeenkomst is paulianeus omdat de directeur van de werkgever én de werknemer wisten dan wel dienden te weten dat deze overeenkomst de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zou benadelen. De kantonrechter wijst de vordering af. In het hoger beroep van de werknemer is de rechtbank met de kantonrechter van oordeel dat de beëindigingsovereenkomst onverplicht tot stand is gekomen en dat betaling van de vergoeding op grond van deze overeenkomst ten koste gaat van de individuele polishouders. Deze kunnen zich dan ook beroepen op art. 3:45 BW. De stichting is een organisatie als bedoeld in art. 3:305 BW, die zich toelegt op het behartigen van de belangen van de individuele polishouders en kan dus namens deze verweer voeren. Voor de vraag of er sprake is van benadeling is niet relevant of de beëindigingsovereenkomst ertoe strekte de werknemer voor de werkgever te behouden. Hoewel de rechtbank de motivering van de kantonrechter niet deugdelijk acht, is de rechtbank met de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een paulianeuze rechtshandeling. De werknemer heeft immers gesteld dat de regeling ook in een faillissementssituatie geldig is en hij wist dus of had moeten weten dat toen hij de overeenkomst met de directie aanging, de regeling voor een situatie als hier aan de orde de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zou benadelen. De rechtbank verwerpt het beroep.

Verder lezen
Terug naar overzicht