Rechtbank Utrecht 05-06-2002, JAR 2002, 151


Gefixeerde schadevergoeding. Matiging loonvordering. Opzegtermijn.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 151.

(Hoger beroep van Kantonrechter Utrecht 01-08-2001, JAR 2001, 183, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 163). De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd zonder de daarvoor geldende opzegtermijn in acht te nemen. De werknemer heeft daarop betaling van de gefixeerde schadevergoeding gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen, maar heeft daarbij aangegeven dat op de schadevergoeding inkomensvervangende uitkeringen in mindering dienen te worden gebracht. De werknemer stelt op dit punt hoger beroep in. De rechtbank overweegt dat het voor de toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding onverschillig is of de werknemer al dan niet schade heeft geleden. Voor de berekening van het bedrag van die vergoeding is enkel van belang het loon, vastgesteld bij of krachtens de arbeidsovereenkomst, zoals deze ten tijde van de beëindiging tussen partijen gold, onverschillig of toen daadwerkelijk aanspraak op loon bestond (zie HR 30-06-1995, De Waal/Van Rijn, RvdW 1995, 153, NJ 1996, 52, JAR 1995, 152, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1995, blz. 289). Omdat de rechtspraktijk in deze met duidelijkheid gediend is en casuïstiek daarmee moeilijk is te verenigen, past de rechtbank deze regel strikt toe. Dat brengt mee dat er geen ruimte is voor het oordeel dat inkomensvervangende uitkeringen die de werknemer heeft genoten op de gefixeerde schadevergoeding in mindering behoren te komen. Ook volgt daaruit dat de aanspraak van de werknemer in onderhavig geval niet in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. De gefixeerde schadevergoeding in dit geval is gelijk aan het loon over de opzegtermijn inclusief vakantiegeld. Voor matiging is geen reden.

Terug naar overzicht