Rechtbank Utrecht 06-02-2002, NJkort 2002, 19, JAR 2002, 64


Bepaalde tijd. Proeftijd (conversie).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 64.

De werkneemster is op 15 augustus 1999 voor de duur van zes maanden bij de werkgever in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst was bepaald dat een proeftijd van twee maanden gold. Verder bevatte de arbeidsovereenkomst een zwaar boetebeding ten aanzien van het meewerken aan transacties waarbij fiscale of sociaalverzekeringsrechtelijke wettelijke bepalingen worden overtreden. De werkneemster heeft onder verwijzing naar deze bepaling op 26 augustus 1999 de dienstbetrekking met onmiddellijke ingang opgezegd. De werkgever heeft gesteld dat deze opzegging onregelmatig is. Het proeftijdbeding zou nietig zijn omdat bij een arbeidsovereenkomst met een duur van zes maanden geen proeftijd van twee maanden kan worden afgesproken. De kantonrechter heeft het proeftijdbeding geconverteerd in een rechtsgeldig beding voor de duur van één maand en heeft geoordeeld dat de werkneemster nog binnen die maand heeft opgezegd. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt de rechtbank dat het proeftijdbeding nietig is, nu de maximaal toelaatbare duur van de proeftijd wordt overschreden. Evenals de kantonrechter is de rechtbank van oordeel dat het beding moet worden geconverteerd in een proeftijdbeding voor één maand. Daartoe overweegt de rechtbank dat de strekking van de beperking in tijd van het proeftijdbeding van art. 7:652 BW is om de werknemer te beschermen. Door conversie van het beding in onderhavig geval wordt aan deze strekking niet tekort gedaan. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat partijen, als zij bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst van de nietigheid van het proeftijdbeding op de hoogte waren geweest, een proeftijdbeding van één maand zouden zijn overeengekomen. Eén en ander brengt mee dat de werkneemster rechtsgeldig heeft opgezegd. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake, gelet op de reden van de opzegging.

Terug naar overzicht