Rechtbank Utrecht 07-07-1999, JAR 1999, 159


Overgang onderneming.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 159.

Een VVV te R komt met een VVV te A overeen dat de exploitatie van kantoor R voor onbepaalde tijd wordt overgedragen aan de VVV A. Na beëindiging van de overeenkomst draagt de VVV A de ondernemingsactiviteiten over aan de VVV R, die in het vervolg de voorheen aan de VVV te A toegekende subsidie rechtstreeks van de gemeente R ontvangt. Een werkneemster, tien jaar in dienst bij VVV A en werkzaam voor VVV R treedt niet in dienst bij VVV R, in tegenstelling tot een later in dienst getreden invalkracht. De werkneemster stelt zich op het standpunt dat er sprake is van overgang van onderneming. De kantonrechter is het hier niet mee eens. In hoger beroep is de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van overgang van onderneming omdat de activiteiten die de VVV A uitoefende voor het beëindigen van de overeenkomst met het kantoor te R, zijn overgegaan. Niet alleen zijn de verantwoordelijkheden voor de ondernemingsactiviteiten overgedragen maar ook de werkzaamheden van voor en na de overdracht zijn dezelfde. Er is sprake van een overdracht van een onderdeel van de onderneming nu de identiteit van dit onderdeel bewaard is gebleven. Hieraan doet niet af dat het kantoor van de VVV R is gesloten en twee maanden later op een andere locatie is geopend. De onderbreking was niet van lange duur en de VVV R had niet de bedoeling de bedrijfsactiviteiten te staken. Ook is niet van belang dat er geen materiële activa zijn overgedragen, omdat aan het wezenlijke criterium, namelijk behoud van identiteit, is voldaan. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de werkneemster toe.

Terug naar overzicht