Rechtbank Utrecht 12-04-2000, JAR 2000, 117


Concurrentiebeding (binnen concernverband). Gezagsverhouding. Ontslag(name) op staande voet.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 117.

Een werknemer heeft achtereenvolgens een arbeidsovereenkomst met twee zustervennootschappen en met de moedervennootschap. Bij deze laatste werkgever neemt de werknemer op staande voet ontslag en begint voor zichzelf. Als de ex-werkgevers zich beroepen op het concurrentiebeding, vordert de werknemer een verklaring voor recht dat hij niet gebonden is aan de concurrentiebedingen die zijn overeengekomen met de zustervennootschappen alsmede een schadevergoeding. De kantonrechter wijst de verklaring voor recht toe, doch niet de schadevergoeding. De werknemer gaat in hoger beroep evenals de zustervennootschappen. De rechtbank stelt voorop dat de drie werkgevers drie afzonderlijke rechtspersonen zijn. Niet is gebleken dat zij met elkaar vereenzelvigd kunnen worden nu de moedermaatschappij landelijk opereert en de zustervennootschappen ieder een eigen regio bedienen. De arbeidsovereenkomsten zijn niet als één arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever te beschouwen en de bedingen zijn derhalve geldig. De werknemer vordert een schadevergoeding op grond van art. 6:162 BW en stelt dat de werkgever hem ten onrechte aan het concurrentiebeding houdt. De vorderingen dienen op grond van het bovenstaande te worden afgewezen. De concurrentiebedingen zijn niet nietig wegens ontslagname op staande voet omdat de werkgever de werknemer geen dringende reden heeft gegeven. Bovendien beroept de moedermaatschappij zich niet op een concurrentiebeding. Voor matiging van de concurrentiebedingen is geen reden omdat de werknemer niet onbillijk wordt benadeeld. De werkgevers hebben het concurrentiebeding al gematigd tot 1 juli 1999 en de geldvordering beperkt tot het bedrag dat de werknemer in conventie zal worden toegewezen. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst alle vorderingen af.

Terug naar overzicht