Rechtbank Utrecht 12-05-1999, JAR 1999, 116


Ontslag op staande voet. Ziekte. CAO. Buitenlandse werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 116.

Een werknemer, 23 jaar in dienst van een drukkerij, meldt zich ziek en vertrekt ruim twee weken later naar Marokko. De werknemer geeft geen gehoor aan de oproep van de Arbo-arts noch aan de twee sommaties van zijn werkgever om contact op te nemen met de Arbo-dienst. De werkgever ontslaat de werknemer vervolgens op staande voet. Na terugkeer in Nederland tekent de werknemer protest aan. Anderhalve maand later brengt de advocaat van de werkgever de advocaat van de werknemer op de hoogte van het bindend adviesbeding in de van toepassing zijnde (grafische) CAO. Op grond van dit beding dienen partijen hun arbeidsgeschil alvorens dit aan de rechter voor te leggen, voor bindend advies voor te leggen aan de bevoegde bedrijfsinstantie. Bijna vier maanden later legt de werknemer het ontslag voor aan de districtscommissie. De districtscommissie wijst de vordering af wegens overschrijding van de beroepstermijn van 12 dagen, evenals de centrale commissie. De kantonrechter verklaart de werknemer vervolgens niet-ontvankelijk in zijn vordering tot verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is. In hoger beroep overweegt de rechtbank met betrekking tot de stelling dat de beroepstermijn van 12 dagen onredelijk kort is, dat het hanteren van een korte termijn voor ontslagzaken doelmatig kan zijn met het oog op snelle waarheidsvinding en rechtszekerheid. Een dergelijke beroepstermijn mag echter niet zo kort zijn dat zij de mogelijkheid tot het daadwerkelijk geldend maken van een recht in feite illusoir maakt. Het beginsel dat onbekendheid van de advocaat voor rekening cliënt komt, leidt uitzondering ingeval dat van een redelijk bekwaam advocaat niet verwacht mag worden dat hij die kennis paraat heeft. Deze uitzondering geldt temeer wanneer het om een korte niet voor de hand liggende vervaltermijn gaat. In dit geval moet de advocaat een redelijke termijn worden gegeven om de kenbronnen van het toepasselijk recht te bestuderen. De termijn van 12 dagen zou wel redelijk zijn indien de werkgever bij het ontslag op staande voet had gewezen op deze termijn. Dat is hier niet het geval geweest. De rechtbank is van oordeel dat toen de advocaat van de werknemer op de hoogte was gesteld van het bindend-adviesbeding, van de werknemer verwacht mocht worden binnen één maand nadien het geschil aanhangig te maken. De werknemer heeft echter bijna vier maanden gewacht en dus dient de beslissing van de districtscommissie en de centrale commissie om het geschil niet meer inhoudelijk te behandelen in stand worden gelaten. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht