Rechtbank Utrecht 15-12-1999, NJ 2000, 494


Gezagsverhouding (predikant). Kennelijk onredelijk ontslag.

Een predikant vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter wijst de vordering af omdat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. In hoger beroep stelt de rechtbank voorop dat de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst onafhankelijk is van hetgeen partijen zelf als benaming aan de overeenkomst hebben gegeven en dat de feitelijke situatie doorslaggevend is. Onder verwijzing naar HR 17-06-1994 (JAR 1994, 152, RvdW 1994, 136, NJ 1994, 757, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1994, blz. 105) overweegt de rechtbank dat het bij de vervulling van een godsdienstig ambt terzake van de godsdienstige aspecten niet aan de instructies van de kerk onderworpen te zijn, niet uitsluit dat met betrekking tot de overige aspecten sprake is van een gezagsverhouding. De overeengekomen wedde moet als loon beschouwd worden en voor de gezagsverhouding is van belang dat uit het toepasselijke statuut van de kerkorde (anders dan in HR 14-06-1991, NJ 1992, 173) het bestaan van een gezagsverhouding dient te worden afgeleid met name gezien de daarin opgenomen bevoegdheid tot ontslag wegens slecht presteren op het terrein van godsdienstige taken. Uit dat laatste moet worden afgeleid dat de predikant zelfs terzake van de godsdienstige aspecten aan instructies kan worden onderwerpen. Voorts kan volgens het statuut de predikant ook aan instructies op andere taakonderdelen worden onderworpen. Er is dientengevolge sprake van een arbeidsovereenkomst en de rechtbank verwijst de zaak terug naar de kantonrechter (die vervolgens het ontslag kennelijk onredelijk verklaart, zie hieronder Kantonrechter Utrecht 17-05-2000, JAR 2000, 187).

Terug naar overzicht