Rechtbank Utrecht 16-10-2002, JAR 2002, 275


Directeur. Loon (optieregeling).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 275.

Per 8 juli 1999 is een bedrijfsonderdeel van de onderneming waar de werknemer als bestuurder werkte overgedragen aan de werkgever. Daarbij is de werknemer gevraagd om als algemeen directeur bij de werkgever in dienst te treden, hetgeen hij heeft gedaan. Op 11 december 1998 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten. Art. 9 daarvan bepaalt dat met de werknemer een optieregeling zal worden overeengekomen, waarbij de uitoefenprijs gebaseerd wordt op de met de fiscus overeen te komen huidige waarde van de onderneming. De uitoefenperiode is vastgesteld op maximaal vijf jaar. De werknemer zal een belang van 4,9% in de onderneming kunnen krijgen. Partijen hebben vanwege een verslechterende verstandhouding geen overeenstemming bereikt over een definitieve versie van de regeling. Bij aandeelhoudersbesluit van 30 mei 2002 is de werknemer als algemeen bestuurder ontslagen. Partijen hebben een regeling getroffen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar hebben de kwestie van de opties daarbuiten gehouden. De werknemer vordert nu een verklaring voor recht dat hij aanspraak kan maken op een belang van 4,9% in de onderneming en veroordeling van de werkgever om (a) de belasting over de opties voor zijn rekening te nemen, en (b) een uitoefenprijs vast te stellen conform hetgeen in de arbeidsovereenkomst is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank geeft art. 9 van de arbeidsovereenkomst voldoende concreet aan waarop de werknemer recht zal krijgen. Voor zover de bepaling onduidelijkheden of onvolkomenheden bevat, komen deze voor risico van de werkgever. Van deze mag worden verwacht dat hij, nu een optieregeling als de onderhavige een belangrijke arbeidsvoorwaarde betreft, de regeling duidelijk vaststelt en afbakent. Bij gebreke daarvan moet het verweer van de werkgever worden verworpen dat de werknemer rekening had moeten houden met een vervaltermijn bij tussentijds ontslag. De bepaling zegt hier niets over. Eén en ander brengt mee dat de vorderingen van de werknemer toewijsbaar zijn met dien verstande dat de werknemer niet heeft aangetoond dat de over de opties verschuldigde belasting voor rekening van de werkgever zou komen, zodat zijn vordering op dit punt wordt afgewezen.

Terug naar overzicht