Rechtbank Utrecht 20-03-2002, JAR 2002, 96


Opzegging/opzegtermijn. Proeftijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 96.

Partijen zijn een arbeidsovereenkomst met daarin een proeftijdbeding overeengekomen. De proeftijd heeft een duur van één maand en is ingegaan op 8 februari 1999. Bij brief van 2 maart 1999 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 9 maart 1999. De werknemer stelt dat deze opzegging niet rechtsgeldig is omdat is opgezegd met ingang van een buiten de proeftijd liggende datum. De kantonrechter heeft de werkneemster in het gelijk gesteld. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt de rechtbank dat het woordje "maand" in het proeftijdbeding zo moet worden uitgelegd dat waar, zoals hier, de arbeidsovereenkomst op 8 februari 1999 aanvangt, de laatste dag van de proeftijd valt op 7 maart 1999, zodat de proeftijd van een maand op 8 maart 1999 eindigt. Een uitleg die het mogelijk maakt dat in één maand tweemaal de achtste dag voorkomt, past niet bij het strikte karakter van de proeftijd. Een verlenging van de maand met een dag omdat de laatste dag van de maand op een zondag valt, strookt hiermee evenmin. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing. De brief van de werkgever behoeft uitleg aan de hand van de art. 3:33 en 3:35 BW. Het resultaat daarvan is dat aangenomen moet worden dat de werkgever het dienstverband wilde beëindigen met toepassing van het proeftijdbeding en tegen het einde van de proefperiode. Niet blijkt dat hij dit wilde doen één dag na het verstrijken van de proeftijd. Argumenten waaruit kan worden afgeleid dat de werkneemster iets anders heeft begrepen, zijn gesteld noch gebleken. De arbeidsovereenkomst is dus op 8 maart 1999 geëindigd. Het is toegestaan, aldus de rechtbank, om bij opzegging tijdens de proeftijd een opzegtermijn in acht te nemen. Opzegging met onmiddellijke ingang kan, maar niet is verplicht. Dit geldt temeer, nu de opzegtermijn de belangen van de werkneemster niet heeft geschaad.

Verder lezen
Terug naar overzicht