Rechtbank Utrecht 25-09-2002, NJ 2002, 592


Aansprakelijkheid werkgever (fraude werknemer).

Een werknemer, verzekeringsadviseur, sluit tijdens zijn vijf maanden durende arbeidsovereenkomst diverse verzekeringen ten behoeve van een vader en een zoon af. Ook opent hij voor beiden twee spaarrekeningen waarvoor zij respectievelijk NLG 80.000,-- en NLG 83.000,-- ten gunste van de privé-rekening van de werknemer storten. Als het gestorte geld blijkt te zijn verdwenen, vorderen vader en zoon van de verzekeringsmaatschappij bovengenoemde bedragen vermeerderd met de waardestijging en de wettelijke rente. Zij achten de werkgever aansprakelijk voor de door de werknemer gepleegde verduisteringen. De rechtbank overweegt dat nu vaststaat dat de werknemer bij de vader en zoon thuiskwam om te bemiddelen bij de totstandkoming van de diverse verzekeringen en spaarrekeningen tot de producten van de werkgever behoren, er voldoende verband bestaat tussen de werkzaamheden en de verduistering. De werkgever kan derhalve aansprakelijk worden gesteld voor de geleden schade. De rechtbank is van oordeel dat de werknemer in ernstige mate onrechtmatig heeft gehandeld, doch dat de schade mede het gevolg is van de eigen onvoorzichtigheid van de vader en de zoon. Hoewel aan de werkgever geen eigen schuld-verweer toekomt, staat het hem vrij om zich erop te beroepen dat zijn kwalitatieve aansprakelijkheid als werkgever beperkt is tot de schadevergoeding waarop beide eisers jegens de werknemer aanspraak kunnen maken. Als in de rechtsverhouding tussen de eisers en de werknemer een gedeelte van de schade voor rekening van de eisers dient te blijven, dan is de werkgever voor dat gedeelte niet aansprakelijk. Gezien de ernst van de gedragingen van de werknemer en de onvoorzichtigheid van de vader en zoon acht de rechtbank het redelijk dat de schade voor één derde voor rekening van hen blijft. De rechtbank wijst de vordering voor twee derde toe.

Terug naar overzicht