Rechtbank Utrecht 26-05-1999, JAR 1999, 129


Voorlopige voorziening. Schorsing; wraking.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 129.

Een werknemer vordert bij voorlopige voorziening wedertewerkstelling. De kantonrechter wijst de vordering af en de werknemer start eenzelfde vordering en op dezelfde gronden in een bodemprocedure. Als de raadsman van de werknemer verneemt dat de zaak zal worden geleid door dezelfde kantonrechter als bij de voorlopige voorziening, verzoekt deze om een andere kantonrechter. Het verzoek wordt afgewezen en de raadsman verzoekt vervolgens wraking van deze kantonrechter. De rechtbank stelt vast dat voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de norm is gegeven in art. 29 Rv en art. 6 EVRM. De rechtbank overweegt dat het feit dat dezelfde rechter in twee achtereenvolgende zaken tussen dezelfde procespartijen optreedt, in beginsel niet in strijd is met art. 6 EVRM, als het maar niet gaat over dezelfde rechtsvraag en hetzelfde feitencomplex. In dit geval is dat wel zo. Het wrakingsverzoek is derhalve toewijsbaar op grond van het ontbreken van objectieve onpartijdigheid. Ten overvloede overweegt de rechtbank met betrekking tot de tweede grondslag (de subjectieve partijdigheid) dat de vraag naar de motieven om wedertewerkstelling te vorderen (hetgeen gezien de 59-jarige leeftijd van de werknemer niet gebruikelijk is), op zich niet onoirbaar is. Daarmee heeft de kantonrechter geen blijk gegeven van subjectieve partijdigheid of van vooringenomenheid jegens de werknemer. Het wrakingsverzoek moet op deze grondslag dan ook worden afgewezen.

Terug naar overzicht