Rechtbank Utrecht 27-06-2001, JAR 2001, 155


Gezagsverhouding. Onderwijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 155.

De Universiteit Utrecht stelt vanaf 1 september 1996 promovendi niet meer aan als AIO's op grond van een arbeidsovereenkomst, maar als beurspromovendi op basis van een begeleidingsovereenkomst. De Abvakabo en enkele beurspromovendi stellen dat de begeleidingsovereenkomst in feite een arbeidsovereenkomst is. De kantonrechter Utrecht heeft hen in het gelijk gesteld. Op het hoger beroep van de Universiteit overweegt de rechtbank dat, wil er sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, er arbeid verricht moet worden, loon betaald en een gezagsverhouding aanwezig moet zijn. Met betrekking tot het criterium "arbeid" stelt de rechtbank vast dat de werkzaamheden van de beurspromovendi op zijn minst gedeeltelijk als productief voor de Universiteit dienen te worden aangemerkt. Dit geldt temeer, nu hun arbeid vergelijkbaar is met die van "gewone" werknemers van de Universiteit. Dat zij geen onderwijstaken hebben en AIO's wel, leidt niet tot een andere conclusie, nu de onderwijstaken van AIO's zeer beperkt in omvang zijn en ook het onderzoekswerk als productief moet worden aangemerkt. De rechtbank acht voorts een gezagsverhouding aanwezig, gelet op het feit dat de promotor over de overeengekomen voortgang van het promotieonderzoek waakt, er sprake is van een werkplek, verlofregistratie, doorbetaling bij ziekte, secundaire arbeidsvoorwaarden en een economisch afhankelijke positie. Tenslotte dient het stipendium dat de Universiteit aan de promovendi betaalt, beschouwd te worden als loon. Er is immers onmiskenbaar een verband tussen de verrichte werkzaamheden en de toekenning van het stipendium. De begeleidingsovereenkomst dient aldus aangemerkt te worden als een arbeidsovereenkomst

Terug naar overzicht